Rb. Limburg 4 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:759
Vaststellingsbeschikking en budgetafrekening over het jaar 2017. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat op grond van de beschikbare stukken de verleende zorg door eiseres aan V in de periode van 27 juni 2017 tot en met 30 november 2017 niet heeft plaatsgevonden. Verweerder was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. De rechtbank stelt vervolgens op basis van het dossier vast dat er zorg is gedeclareerd die niet is geleverd. Verder staat vast dat eiseres met V een zorgovereenkomst heeft getekend waarin een derdenbeding is opgenomen. Zo’n beding houdt in dat de pgb-verstrekker een vordering krijgt op de zorgverlener die ten laste van het pgb zorg heeft verleend, indien door diens toerekenbaar handelen het pgb is ingetrokken of herzien. Aan deze voorwaarden is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. In dit geval heeft verweerder het pgb herzien (verlaagd met € 24.715,36) als gevolg van het toerekenbaar handelen van eiseres. Eiseres heeft namelijk geld van de SVB ontvangen en gehouden hoewel ze wist dat ze er geen recht op had. Dit heeft verweerder terecht toerekenbaar geacht.
De uitspraak op rechtspraak.nl