CRvB 21 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1791

Het is onredelijk om appellant volledig de gevolgen te laten dragen van de gebrekkige verantwoording. Dit betekent dat het besluit van 25 januari 2018 niet in stand kan blijven. De Raad zal het beroep tegen dit besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Voldoende aannemelijk is dat in ieder geval een deel van het verleende budget voor begeleiding individueel daadwerkelijk daaraan is besteed. Dit deel wordt schattenderwijs vastgesteld op een derde deel van het ter zake verleende budget. Dit betekent dat bij een afweging van de betrokken belangen een uit het pgb besteed extra bedrag van € 9.512,25 in aanmerking moet worden genomen voor door de zorgverlener verleende AWBZ-zorg. Gelet hierop bepaalt de Raad dat het pgb van appellant voor 2014 wordt vastgesteld op € 18.136,71. Hieruit vloeit voort dat het zorgkantoor bevoegd is van appellant een bedrag van € 37.484,46 aan te veel betaalde voorschotten terug te vorderen. De door appellant gestelde financiële situatie leidt er niet toe dat het zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Niet is gebleken dat de terugvordering bij appellant tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken