Rb. Den Haag 1 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14790
Asiel Turkije. Eiseres heeft een afgeleide verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, maar stelt dat zij in aanmerking komt voor een zelfstandige asielvergunning. Eiseres stelt in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten te staan omdat zij de partner is van een Gülenist. De rechtbank is, anders dan de Afdeling, van oordeel dat de minister op basis van de landeninformatie niet tot de beleidswijziging van 1 december 2023 had kunnen komen. De rechtbank komt op basis van de landeninformatie tot de conclusie dat de minister niet deugdelijk heeft onderbouwd dat er sprake is van een verbetering in de positie van (vermeend) Gülenisten. Daarnaast komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister het asielrelaas en de gegronde vrees van eiseres onvoldoende heeft afgezet tegen de algemene situatie in Turijke zoals blijkt uit de aangehaalde landeninformatie in deze uitspraak. Verder dient de minister nader te onderzoeken wat het risico bij terugkeer is, nu eiseres de echtgenote is van een politieagent die ontslagen is in verband met - en thans weer strafrechtelijk onderzocht wordt voor banden met de Gülenbeweging. De minister heeft ook niet nader onderbouwd wat het feit dat eiseres zes keer van baan heeft moeten wisselen, betekent voor de vraag of zij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl