Rb. Den Haag 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24322

Asiel (Turkije); Gülenist; landenbeleid en beleidswijziging; vrees voor vervolging onvoldoende geïndividualiseerd; toetsing aan politieke overtuiging en geloofsovertuiging; ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20508
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. F.M. Reidinga).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister mocht in het bestreden besluit allereerst tot uitgangspunt nemen dat volgens zijn landenbeleid niet iedere Gülenist een gegronde vrees voor vervolging heeft, maar dat dit afhangt van de individuele situatie van de betreffende Gülenist. Vervolgens is de minister op basis van de individuele situatie van eiser terecht tot de conclusie gekomen dat hij geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging en zijn activiteiten in Turkije en Nederland. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Eiser heeft op 9 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 28 april 2025 afgewezen.

2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2 De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3 Op dit beroepen is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026. Voor zover de rechtbank hierna verwijst naar wet- en regelgeving of beleid, gaat het daarom om wet- en regelgeving of beleid van vóór 12 juni 2026, tenzij anders aangegeven.

Goede procesorde

4 Eiser heeft op 30 juli 2026 om 12:39 uur – iets meer dan 40 minuten voor de zitting – nog een nieuwsbericht van de website ‘Daily Sabah’ van 27 juli 2026 overgelegd als nadere onderbouwing van zijn beroep. De rechtbank acht dat in strijd met de goede procesorde. Door de late indiening van dit nieuwsbericht is de rechtbank niet meer in de gelegenheid geweest om dit voor de zitting te bestuderen, zodat zij dit nieuwsbericht niet met partijen heeft kunnen bespreken. Gelet op de datum van het nieuwsbericht valt niet in te zien waarom eiser dit niet eerder had kunnen overleggen. De rechtbank laat dit stuk dan ook buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.

Het asielrelaas

5 Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Sinds 1992 is eiser betrokken bij de Gülenbeweging. Zo was hij lid van een vakbond die aan de Gülenbeweging is gelieerd en nam hij deel aan sohbets. De Turkse overheid ziet de Gülenbeweging echter als een terroristische organisatie. Om die reden is eiser in 2016 per decreet ontslagen als docent en werden zijn lesbevoegdheden afgepakt. Hij heeft dit decreet tevergeefs aangevochten, en dit geschil ligt nu in laatste instantie ter beoordeling voor aan de Turkse Raad van State. Hij had de hoop dat de situatie voor Gülenisten na de verkiezingen van 2023 zou verbeteren, maar dit bleek niet het geval. De situatie is juist verslechterd en het aantal politieacties tegen Gülenisten is toegenomen. Uit angst te worden opgepakt, gedetineerd en gemarteld, is hij in 2023 uit Turkije naar Europa gevlucht.

Het bestreden besluit

6 Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;

(2) Gülenisme en daardoor ondervonden problemen.

6.1 De minister stelt zich op het standpunt dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser vanwege deze asielmotieven kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling of dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico op ernstige schade loopt. Omdat dit volgens de minister niet het geval is, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen.
Het landen- en groepenbeleid van de minister
7. In oktober 2019 zijn Gülenisten in het landenbeleid voor Turkije aangewezen als zogenoemde ‘risicogroep’. Als gevolg hiervan konden Gülenisten met “geringe indicaties” aannemelijk maken dat hun problemen leidden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ontbraken deze geringe indicaties, dan beoordeelde de minister de risico’s bij terugkeer naar Turkije vanaf augustus 2021 “in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt [werd] door willekeur jegens (toegedichte) Gülenisten van de zijde van de Turkse autoriteiten.” Deze toevoeging aan het beleid behelsde in feite een verruiming van het landenbeleid voor Gülenisten uit Turkije.

7.1 Op 1 december 2023 heeft de minister het landenbeleid voor Turkije gewijzigd en is hij teruggekomen op de hiervoor genoemde verruiming. De achtergrond hiervan was de afname in intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten en een strengere controle van het overheidshandelen door Turkse rechters, waardoor de willekeur die voorheen prominent speelde bij de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet langer aan de orde was. Dat betekent dat Gülenisten (weer) met ‘geringe indicaties’ aannemelijk moesten maken dat zij bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging hadden.

7.2 De minister heeft vervolgens, op 1 juli 2024, het zogenoemde groepenbeleid in algemene zin gewijzigd. Dit groepenbeleid geldt op dit moment nog steeds. Het nieuwe groepenbeleid kent geen ‘risicogroepen’ meer, maar slechts ‘risicoprofielen’. Valt een vreemdeling binnen een risicoprofiel, dan is dat echter niet voldoende om aan te nemen dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. De vreemdeling moet deze vrees immers nog steeds met individuele omstandigheden aannemelijk maken. Gülenisten zijn in het landenbeleid voor Turkije aangewezen als groep met een risicoprofiel. Dat betekent (dus) dat Gülenisten niet per definitie verdragsvluchteling zijn, maar dat dit afhangt van hun individuele situatie.
Hebben alle (toegedichte) Gülenisten in Turkije een gegronde vrees voor vervolging?
8. Eiser betoogt dat de minister in het landenbeleid voor Turkije ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat de vrees voor vervolging van Gülenisten afhangt van hun individuele situatie. Volgens hem is in Turkije sprake van een zodanige situatie dat alle Gülenisten een gegronde vrees voor vervolging hebben en kan de beleidswijziging van 1 december 2023 daarom geen stand houden.
Beleidswijziging van 1 december 2023
9. Het betoog van eiser dat de beleidswijziging van 1 december 2023 geen stand kan houden, slaagt niet. Eiser onderbouwt dit betoog door te verwijzen naar wat zijn gemachtigde in de procedures van andere Gülenisten heeft aangevoerd bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 maart 2026 echter geoordeeld dat de minister in redelijkheid mocht komen tot de beleidswijziging van 1 december 2023, waarbij zij ook heeft betrokken wat de gemachtigde van eiser in die procedure had aangevoerd. De rechtbank ziet in een enkele herhaling geen reden om hierover anders te oordelen dan de Afdeling.
Latere ontwikkelingen
10. Eiser betoogt dat zich sinds de zitting bij de Afdeling op 13 augustus 2025, die voorafging aan de uitspraak van 25 maart 2026, nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan die maken dat het landenbeleid niet langer stand kan houden. In de eerste vier maanden van 2026 zijn al 402 personen aangehouden vanwege betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Verder werd in mei 2026 een onderzoek ingesteld naar 1.325 personen vanwege Gülenpropaganda op hun socialemediaprofiel, zijn op 24 juni 2026 nog eens 237 personen aangehouden en hebben de Turkse autoriteiten op 13 juli 2026 geprobeerd nog eens bijna duizend personen aan te houden. De situatie voor Gülenisten is daarmee wezenlijk verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van de beleidswijziging in 2023, waardoor het beleid geen recht (meer) doet aan de huidige veiligheidssituatie en de minister ter motivering van het bestreden besluit niet (langer) kan volstaan met een verwijzing naar het landenbeleid voor Turkije. De zittingsplaats Amsterdam van deze rechtbank heeft al aanleiding gezien voor een ander oordeel dan de Afdeling en de zittingsplaats Den Haag heeft al reden gezien om het onderzoek in enkele zaken te heropenen, waarna de minister in enkele zaken heeft aangegeven opnieuw te zullen beslissen.

10.1 Dit betoog slaagt niet. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen reden voor het oordeel dat niet langer kan worden uitgegaan van het landenbeleid voor Turkije of de Afdelingsuitspraak van 25 maart 2026. De Afdeling is in deze uitspraak tot het oordeel gekomen dat de minister het landenbeleid met betrekking tot Gülenisten mocht wijzigen (zie onder 7.1), omdat de situatie voor Gülenisten “minder diffuus en minder slecht is dan in de periode direct na de mislukte couppoging in juli 2016.” De Afdeling baseert dit oordeel op landeninformatie waaruit blijkt dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in Turkije getalsmatig afneemt (zonder dat dit kan worden verklaard door het vertrek van Gülenisten naar het buitenland) en de aandacht van de Turkse autoriteiten voornamelijk uitgaat naar een specifieke groep Gülenisten in het justitiële en veiligheidsapparaat. Nog daargelaten de vraag of alleen op basis van de aangehaalde nieuwsberichten van de website ‘Daily Sabah’ kan worden gezegd dat de situatie voor Gülenisten in Turkije is verslechterd, blijkt uit deze nieuwsberichten niet dat de situatie voor Gülenisten in Turkije anders is dan de situatie die in de Afdelingsuitspraak van 25 maart 2026 is betrokken. Uit de door eiser aangehaalde nieuwsberichten valt op zichzelf genomen een getalsmatige toename van het aantal (vermeende) Gülenisten in vergelijking met voorgaande jaren af te leiden. Maar de minister wijst er terecht op dat deze aantallen nog altijd niet vergelijkbaar zijn met de aantallen arrestaties na de couppoging in juli 2016, toen in een jaar tijd bijna 170.000 mensen aan strafrechtelijk onderzoek werden onderworpen en bijna 56.000 mensen werden gearresteerd. Daarnaast volgt uit de aangehaalde nieuwsberichten niet dat de aandacht van de Turkse autoriteiten zich uitbreidt naar andere groepen Gülenisten of dat alle Gülenisten (weer) eenzelfde risico op vervolging lopen. Het valt daarom niet in te zien waarom het landenbeleid van de minister of de Afdelingsuitspraak van 25 maart 2026 niet langer houdbaar is, zodat de minister dat beleid als uitgangspunt voor het bestreden besluit mocht nemen. Het enkele feit dat de zittingsplaats Amsterdam van deze rechtbank op basis van de landeninformatie tot een ander oordeel is gekomen, doet aan het voorgaande niet af. Het heropenen van zaken door de zittingsplaats Den Haag van deze rechtbank en het daarop volgende bericht van de minister dat in enkele zaken opnieuw moet worden beslist maakt het voorgaande ook niet anders. De minister heeft op de zitting namelijk laten weten dat niet de algemene situatie voor Gülenisten in Turkije, maar de individuele situatie van de betrokken vreemdelingen in die zaken hiertoe aanleiding heeft gegeven.
Conclusie over deze beroepsgrond
11. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in het landenbeleid terecht tot uitgangspunt genomen dat niet alle Gülenisten in Turkije een risico op vervolging lopen en dat dit afhangt van hun individuele situatie, en mag nog steeds van dit landenbeleid uitgaan.
Is eiser verdragsvluchteling vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging?
12. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser onvoldoende heeft geïndividualiseerd waarom hij vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser wijst erop dat de minister geloofwaardig vindt dat hij per decreet is ontslagen als docent en de Turkse autoriteiten hem zijn lesbevoegdheid hebben afgenomen (waartegen hij nog procedeert), dat hij is opgeleid aan een Gülenistische universiteit, dat hij deelnam aan sohbets, dat hij een rekening had bij de Gülenistische bank Aysa en dat hij doneerde aan Gülenistische organisaties. Het is daarom, in zoverre, door Turkse rechtbanken al vastgesteld dat eiser Gülenist is. Daar komt nog bij dat eiser zijn activiteiten voor de Gülenbeweging in Nederland heeft voortgezet. Zo is eiser vrijwilliger bij een Gülenistische stichting in Amsterdam, heeft hij omgang met de neef van Fethullah Gülen, is hij abonnementhouder van een Gülenistisch tijdschrift, staat hij op socialemediapagina’s en websites van Gülenistische organisaties en laat hij zich op sociale media actief uit over de situatie in Turkije. Het is bekend dat de Turkse geheime dienst (MİT) en de cyberafdeling van de Turkse politie (Siberay) personen en organisaties in het buitenland nauwgezet in de gaten houden en op basis van uitlatingen op sociale media strafdossiers samenstellen, zodat voor de Turkse autoriteiten inzichtelijk is wie aan deze activiteiten deelneemt. Het is daarom ook aannemelijk dat eiser vanwege zijn activiteiten in Nederland in beeld is bij de Turkse autoriteiten. Dat heeft zich ook al geconcretiseerd: het platform X hem heeft laten weten dat de Turkse autoriteiten een strafrechtelijk onderzoek zijn begonnen naar aanleiding van de inhoud van zijn profiel, wat aansluit bij de hiervoor onder 9 genoemde landeninformatie dat de Turkse autoriteiten uitgebreide onderzoeken naar profielen op sociale media zijn gestart. Deze elementen leiden – zeker in combinatie met elkaar en gelet op de willekeurigheid van de vervolging van Gülenisten in Turkije – ontegenzeggelijk tot de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Daarnaast loopt er een strafrechtelijk onderzoek tegen eiser. Dat eiser dit niet heeft onderbouwd, kan hem niet worden tegengeworpen. Dit onderzoek bevindt zich in een eindfase bij de politie. In deze fase moet eiser nog worden gehoord en zijn de stukken van het onderzoek daarom (logischerwijs) niet in te zien via het digitaal justitiesysteem UYAP. Dit zou het onderzoek kunnen schaden. Bovendien bestaat er geen garantie dat het dossier van het strafrechtelijk onderzoek – als zich dat al wel in een later stadium zou bevinden – beschikbaar komt via UYAP. De Turkse wetgeving maakt het immers mogelijk om geheimhouding toe te passen op een strafrechtelijk dossier, ook als dat al is geüpload in UYAP. Daar hebben de Turkse autoriteiten ook concreet belang bij, omdat eiser al geruime tijd in het buitenland verblijft en het uploaden van een strafrechtelijk dossier kan bijdragen aan de onderbouwing van een asielaanvraag. In dit verband mag eiser niet worden tegengeworpen dat hij legaal heeft kunnen uitreizen. De strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om legaal te kunnen uitreizen zijn verschillende aangelegenheden en de minister mag een legale uitreis volgens de rechtspraak ook niet tegenwerpen. Dat doet de minister in andere zaken overigens ook niet meer, zodat niet valt in te zien waarom de minister dat in het geval van eiser nog wel doet. Eiser wijst er tot slot op dat familieleden, vrienden en andere naasten van hem zijn vervolgd, wat volgens hem eveneens van belang is.

12.1 Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen verdragsvluchteling is vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging, omdat hij onvoldoende heeft geïndividualiseerd dat hij vanwege zijn Gülenisme een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.

12.1.1 In het landenbeleid voor Turkije zijn Gülenisten, zoals hiervoor uitgebreid aan de orde geweest, aangewezen als groep met een risicoprofiel. Doet een vreemdeling hier een beroep op, dan moet hij allereerst aannemelijk maken dat hij tot deze groep behoort. Slaagt de vreemdeling daarin, dan wil dat echter niet onmiddellijk zeggen dat de vreemdeling ook een verdragsvluchteling is. De vreemdeling moet namelijk ook nog aan de hand van zijn individuele situatie, zijn persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en een eventuele eerdere blootstelling aan daden van vervolging aannemelijk maken dat hij (opnieuw) een risico op vervolging loopt. In het geval van eiser is tussen partijen niet in geschil dat hij Gülenist is en zodoende behoort tot de groep met het risicoprofiel. Eiser hoeft zijn Gülenisme daarom niet te individualiseren. Partijen houdt juist verdeeld of in het geval van eiser sprake is van een gegronde vrees voor vervolging als gevolg van zijn Gülenisme. Dat betekent dat de rechtbank hierna beoordeelt of eiser met het onder 12 omschreven betoog voldoende heeft geïndividualiseerd dat hij als gevolg van zijn Gülenisme een gegronde vrees voor vervolging heeft.

12.1.2 Eiser wijst er in de eerste plaats op dat hij lid was van een Gülenistische vakbond, is opgeleid aan een Gülenistische universiteit, deelnam aan sohbets, een rekening had bij de Gülenistische bank Aysa en doneerde aan Gülenistische organisaties. Uit de rechtspraak volgt dat dit elementen zijn aan de hand waarvan de minister beoordeelt of aan een vreemdeling Gülenisme kan worden toegedicht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze elementen daarom in de eerste plaats van belang voor de vraag of eiser behoort tot het risicoprofiel van Gülenisten, wat in het geval van eiser – gelet op wat hiervoor onder 12.1.1 is overwogen – juist niet in geschil is. De rechtbank ziet verder niet in waarom deze vijf elementen (ook) het risico op vervolging doen vergroten. Uit wat de rechtbank hiervoor onder 10.1 heeft overwogen, volgt immers dat niet iedere Gülenist eenzelfde risico op vervolging loopt en dat vooral Gülenisten in het justitiële en veiligheidsapparaat een risico op vervolging lopen. Uit de landeninformatie die eiser aanvoert, volgt niet dat de Turkse autoriteiten (ook) een van deze vijf elementen als criterium gebruiken bij hun afweging welke Gülenisten zij wel of niet vervolgen. Op die manier valt niet in te zien waarom deze elementen aan het risico op vervolging bijdragen. Dit geldt ook voor de stelling van eiser dat hij in Nederland actief is voor de Gülenbeweging en contact heeft met personen die door de Turkse autoriteiten in de gaten worden gehouden. Nog los van de vraag of de Turkse autoriteiten met die activiteiten van eiser bekend zijn (wat eiser niet onderbouwt), volgt uit de landeninformatie die eiser aanhaalt, niet dat Gülenisten met een dergelijk profiel in de verhoogde negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staan en op die manier een verhoogd risico lopen om te worden vervolgd.

12.1.3 Dat eiser in het verleden (onder het mom van een bestuursrechtelijke maatregel) is ontslagen als docent en dat hem zijn lesbevoegdheid is afgenomen, is in beginsel wél een element dat aan een onderbouwing van het gestelde risico op vervolging kan bijdragen. Deze bestuursrechtelijke maatregel zou immers een daad van vervolging kunnen zijn en de minister vindt die maatregel ook geloofwaardig, zodat dit een duidelijke aanwijzing zou kunnen zijn dat de vrees van eiser voor vervolging gegrond is. Desalniettemin stelt de minister zich terecht op het standpunt dat er aanwijzingen zijn dat deze vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De minister wijst er immers terecht op dat eiser heeft verklaard dat hij in de acht daaropvolgende jaren geen problemen met de Turkse autoriteiten heeft ondervonden en dat hij kon voorzien in zijn levensonderhoud, onderdak had en toegang had tot medische zorg. Verder wijst de minister er terecht op dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen. Hoewel eiser terecht stelt dat uit landeninformatie volgt dat een vervolging door de Turkse autoriteiten niet in alle gevallen aan een legale uitreis in de weg staat, hoeft een legale uitreis – afhankelijk van de individuele omstandigheden van de vreemdeling – ook niet geheel zonder betekenis te zijn. Eiser heeft verklaard dat hij na zijn ontslag en de intrekking van zijn lesbevoegdheid in eerste instantie een uitreisverbod had, dat op enig moment daarna werd opgeheven. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de Turkse autoriteiten na zijn vertrek geen navraag meer hebben gedaan bij zijn vrouw en dochter en dat hij verwacht dat de Turkse autoriteiten dat ook niet meer zullen doen. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat uit de eerdere bestuursrechtelijke maatregel onvoldoende blijkt dat eiser nog steeds of opnieuw in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat.

12.1.4 De stelling van eiser dat hij op dit moment onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek, zou ook een indicatie kunnen zijn dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. In het geval van eiser is echter onvoldoende gebleken dat tegen hem een strafrechtelijk onderzoek loopt, omdat die stelling niet is onderbouwd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat nadere onderbouwing voor hem niet mogelijk zou zijn. Uit het ambtsbericht van 2023 volgt weliswaar dat strafrechtelijke dossiers niet altijd in UYAP zichtbaar zijn, maar de minister wijst er terecht op dat het ambtsbericht strafzaken van hooggeplaatste Gülenisten daarbij als voorbeeld noemt. Het is niet gesteld of gebleken dat eiser door de Turkse autoriteiten als hooggeplaatste Gülenist wordt gezien. Daarnaast blijkt uit het dossier verder geen enkele andere concrete aanwijzing dat eiser onderwerp is van een strafrechtelijke vervolging of een strafrechtelijk onderzoek in een voorfase bij de politie. De door eiser overgelegde e-mail van socialemediaplatform X, waaruit volgens eiser zou moeten volgen dat de Turkse autoriteiten een strafrechtelijk onderzoek tegen hem zijn gestart, behelst immers niets meer dan de mededeling van X dat de Turkse autoriteiten de toegang tot zijn profiel vanuit Turkije hebben geblokkeerd. Uit die e-mail volgt niet dat de Turkse autoriteiten weten dat eiser achter dit profiel zit of dat zij een strafrechtelijk onderzoek naar de eigenaar van dit profiel zijn gestart. De stelling dat eiser op dit moment onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek door de Turkse autoriteiten, is daarom slechts gebaseerd op de verklaring van eiser dat hij van een vriend had gehoord dat er een “politieactie” tegen hem was gestart. Dat is onvoldoende.

12.1.5 Tot slot stelt eiser nog dat familieleden, vrienden of andere Gülenisten uit zijn directe omgeving zijn vervolgd. Omdat uit het ambtsbericht van 2025 volgt dat ook familieleden van vervolgde (gevangengezette) Gülenisten onder omstandigheden een verhoogd risico op vervolging kunnen lopen, kan dit element ook van belang zijn bij de beoordeling van het risico op vervolging dat eiser bij terugkeer naar Turkije loopt. Nog daargelaten dat eiser niet onderbouwt dat hij familieleden of vrienden heeft die door de Turkse autoriteiten zijn vervolgd, volgt uit het ambtsbericht van 2025 ook dat het vooral gaat om Gülenisten die hun vervolgde familieleden (financieel) helpen. Eiser stelt niet dat hij de (zoals gesteld) vervolgde familieleden helpt of heeft geholpen, zodat de rechtbank niet inziet waarom eiser hierdoor een verhoogd risico op vervolging loopt.
Had de minister (apart) moeten toetsen of eiser verdragsvluchteling is vanwege zijn politieke overtuiging?
13. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft getoetst of eiser verdragsvluchteling is vanwege zijn politieke overtuiging. Uit de rechtspraak volgt dat de minister Gülenisme primair als een politieke overtuiging ziet. Daarom moet de minister – nog los van de vraag of eiser daadwerkelijk Gülenist is – beoordelen of sprake is van een (toegedichte) politieke overtuiging en, zo ja, of de activiteiten of uitingen van eiser in dit verband aanleiding geven tot een gegronde vrees voor vervolging. De minister heeft dat in het geval van eiser niet gedaan, zodat het bestreden besluit gebrekkig is. Eiser stelt dat in dit geval nog van belang is dat hij in Nederland activiteiten heeft verricht als gevolg waarvan hij waarschijnlijk in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten is komen te staan (zie ook onder 12), zodat sprake is van een réfugié sur place-situatie. Daarnaast wijst eiser erop dat hij bij terugkeer naar Turkije in de problemen zal komen als hij deze activiteiten zou voortzetten.

13.1 Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de minister, anders dan eiser betoogt, in het voornemen heeft beoordeeld of eiser vanwege zijn politieke overtuiging een gegronde vrees voor vervolging heeft. Het bestreden besluit is in zoverre niet gebrekkig. De rechtbank volgt de minister verder in zijn standpunt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging als gevolg van zijn politieke overtuiging heeft. De rechtbank heeft hiervoor, onder 12.1.2, overwogen dat niet is gebleken dat de Turkse autoriteiten bekend zijn met de activiteiten van eiser in Nederland en dat – zelfs als dat wel zo zou zijn – niet valt in te zien waarom de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten vanwege de activiteiten van eiser in Nederland naar hem zou uitgaan. Alleen al daarom is in het geval van eiser geen sprake van de gestelde réfugié sur place-situatie. Verder blijkt uit het nader gehoor dat eiser in Turkije en in Nederland voornamelijk heeft deelgenomen aan activiteiten van organisaties die aan de Gülenbeweging zijn gelieerd. Zo heeft eiser in Turkije Gülenistisch onderwijs gevolgd en deelgenomen aan sohbets, en neemt hij in Nederland deel aan activiteiten van stichting Sera en verzorgt hij voor stichting Animo cursussen Nederlands. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat eiser zijn politieke overtuiging vooral uitte in het kader van (activiteiten van) Gülenorganisaties, maar daarbij verder een relatief passief en weinig vooraanstaand profiel heeft. Het is maar de vraag in hoeverre eiser in Turkije in de gelegenheid is om die activiteiten voort te zetten. Het ambtsbericht van 2025 beschrijft namelijk dat de Turkse autoriteiten de Gülenbeweging in Turkije tussen 2016 en 2019 vrijwel geheel hebben ontmanteld, zodat de Gülenbeweging als georganiseerde gemeenschap enkel nog in de diaspora voortleeft. Gelet daarop is het voortzetten van de activiteiten die eiser in Nederland verricht niet mogelijk zonder dat hij zich eerst met andere Gülenisten in Turkije verenigt en organiseert. Eiser stelt niet dat hij dat bij terugkeer zal gaan doen, en dat vindt de rechtbank gelet op zijn tot op heden relatief passieve profiel ook niet aannemelijk. Daarom valt ook niet in te zien waarom eiser bij terugkeer naar Turkije in de problemen zou komen als hij de activiteiten die hij in Nederland verricht zou voortzetten.
Had de minister (apart) moeten toetsen of eiser verdragsvluchteling is vanwege zijn geloofsovertuiging?
14. Eiser betoogt tot slot dat de Gülenbeweging voor hem in de eerste plaats een geloofsovertuiging is, omdat het gedachtegoed van deze beweging vanuit een religieus perspectief beschrijft hoe de samenleving vorm moet krijgen. Het is in dat geval aan de minister om (tevens) te beoordelen of hij vanwege zijn geloofsovertuiging in Turkije gevaar loopt en of hij zijn geloofsovertuiging kan blijven uiten. Dat heeft de minister niet gedaan.

14.1 Dit betoog slaagt niet. De minister had niet (apart) hoeven beoordelen of eiser vanwege zijn geloofsovertuiging een gegronde vrees voor vervolging heeft. Bij de vraag of een vreemdeling vanwege zijn geloofsovertuiging een gegronde vrees voor vervolging heeft, onderzoekt de minister op basis van de persoonlijke situatie van deze vreemdeling om redenen van de uitoefening van zijn godsdienst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd, waarbij onder meer wordt gekeken naar de wijze waarop de vreemdeling zijn geloofsovertuiging in het verleden en in Nederland heeft geuit. In het geval van eiser zou dat neerkomen op de vraag of hij vanwege de wijze waarop hij zijn Gülenisme in het verleden en in Nederland heeft geuit het risico loopt om bij terugkeer naar Turkije te worden vervolgd. Deze beoordeling heeft echter feitelijk al plaatsgevonden bij de beoordeling van de politieke overtuiging van eiser (zie ook hiervoor onder 13.1). Het valt daarom niet in te zien waarom de minister in het bestreden besluit ook nog aandacht had moeten besteden aan het Gülenisme van eiser als geloofsovertuiging. Dat dit “meer recht” zou doen aan het feit dat het Gülenisme voor eiser meer een geloofsovertuiging dan een politieke overtuiging is, zoals eiser op zitting naar voren heeft gebracht, is daartoe onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

15 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde uitspraken