Rb. Den Haag 1 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5366

Tussenuitspraak artikel 15c Benghazi, Libië – partijen verschillen van mening over de vraag of aan eiser subsidiaire bescherming op grond van artikel 15c van richtlijn 2011/95 moet worden verleend – eiser stelt zich op het standpunt dat in Benghazi sprake is van een zogenoemde “kale artikel 15c-situatie” en als dat niet zo is, de toepassing van de glijdende schaal hoe dan ook tot een subsidiaire beschermingsstatus moet leiden. – Verweerder heeft zich pas in het verweerschrift van 17 maart 2025 op het standpunt gesteld dat er in Libië en meer in het bijzonder in Benghazi, geen sprake is van een internationaal of binnenlands gewapend conflict en daarom aan een verdere beoordeling van artikel 15c niet wordt toegekomen.- Omdat verweerder dit standpunt niet heeft ingenomen in zijn besluit van 16 februari 2024, maar verweerder toen heeft beoordeeld of het reeds ondergane geweld willekeurig of gericht geweld was, gaat de rechtbank er van uit dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit wel vond dat er sprake was van een gewapend conflict. – de rechtbank doet een tussenuitspraak om verweerder in de gelegenheid te stellen om toe te lichten hoe hij beoordeelt of sprake is van een internationaal of binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 en op grond van welke feiten en omstandigheden hij ten aanzien van Libië en meer in het bijzonder ten aanzien van Benghazi tot de conclusie komt dat hiervan geen sprake is én verweerder dient toe te lichten waarom hij ten tijde van het bestreden besluit van 16 februari 2024 wél aannam dat sprake was van een gewapend conflict in Benghazi en ten tijde van het uitbrengen van het verweerschrift op 17 maart 2025 dit niet langer het geval was. – de rechtbank kan de wijze van beoordelen niet afleiden uit het landgebonden beleid en de rechtbank wijst verweerder op de nadere precisering van artikel 15c door het Hof in het arrest van 30 januari 2014 in de zaak Aboubacar Diakité - Verweerder heeft toegelicht dat het in het verweerschrift ingenomen standpunt een landelijk door verweerder uitgedragen standpunt is ten aanzien van Libië. Nu hier dus reeds afstemming over heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank een termijn van vier weken voldoende om verweerder in staat te achten dit landelijk ingenomen standpunt in de onderhavige procedure toe te lichten.- de rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken