Rb. Den Haag 4 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:15988
Nigeria, seksuele geaardheid en geloofwaardig geacht relaas mensenhandel – eiser is 10 jaar in Nederland en heeft in deze tweede procedure wederom zijn seksuele geaardheid als asielmotief aangedragen. In deze opvolgende procedure draagt eiser daarnaast als zelfstandig asielmotief aan dat hij in Nederland en in Duitsland slachtoffer van mensenhandel is geweest en daarom vreest voor een 3 EVRM-schending als hij moet terugkeren. De rechtbank stelt vele gebreken vast en motiveert waarom de rechtbank zelf voorziet nu beide asielmotieven zelfstandig tot vergunningverlening moeten leiden – vermogen van eiser om adequaat te verklaren – referentiekader eiser en bewijsdrempel om relaas aannemelijk te achten – opvolgende aanvraag; samenwerkingsplicht, bewijswaarde documenten en beoordelingskader - refoulementrisico in verband met geloofwaardig geacht relaas mensenhandel – uitspraak Afdeling 23 nov ’23 en de aanvulling op het AAB Nigeria – bewijslast bij verweerder – tegenwerpingen verweerder slagen allemaal niet – de aard van de tegenwerpingen met betrekking tot de documenten waarvan de echtheid niet kan worden vastgesteld zijn niet juist, onzorgvuldig en onbehoorlijk jegens eiser - De rechtbank acht het in het belang van beide partijen om in deze fase van de procedure het geschil finaal te beslechten zodat partijen het procederen kunnen beëindigen - ook de vreemdelingenrechter is op grond van nationaal recht en op grond van Unierecht bevoegd om zelf te voorzien – verweerder heeft meerdere malen de geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid beoordeeld en is in de gelegenheid geweest deze beoordeling aan te vullen doordat de rechtbank bij de eerste behandeling ter zitting reeds de gebreken heeft benoemd en doordat een bestuurlijke lus is toegepast, eiser aanvullend is gehoord en er een aanvullend besluit is genomen. - De rechtbank geeft verweerder uitdrukkelijk in overweging om te berusten in deze uitspraak en het belang van finale geschillenbeslechting te laten prevaleren boven het doorprocederen vanwege het niet willen aanvaarden dat de rechtbank verweerder opdraagt een verblijfsvergunning te verlenen. – beroep gegrond en rechtbank voorziet zelf, beide besluiten worden vernietigd, verweerder moet vergunning verlenen, rechtbank vernietigt TKB & IRV en draagt verweerder op TKB en IRV uit SIS te verwijderen – in het kader van de pkv-veroordeling merkt de rechtbank de zaak aan als zwaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 13 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14610
- Rb. Den Haag 12 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6723
- ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1248
- Rb. Den Haag 9 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1459
- ABRvS 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4346
- Rb. Den Haag 6 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16602
- ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2993
- Rb. Den Haag 19 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5570
- ABRvS 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584
- ABRvS 24 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:895
- Rb. Den Haag 18 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1381
- ABRvS 19 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2848
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:626
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:478