Rb. Den Haag 25 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2662
Asiel – FMMU, FMO, iMMO, onderdelenvereiste • Verweerder moet in opvolgende procedures onverkort invulling geven als ware het een eerste aanvraag die hij moet beoordelen. • Verweerder moet zich er van vergewissen of eiser procedurele waarborgen behoeft, welke verplichting gedurende de gehele procedure geldt en waarbij te gelden heeft dat verweerder moet zorgdragen dat hij beschikt over actuele gegevens en adviezen. Dat geldt vooral, maar niet uitsluitend, in de situatie dat sprake is van aanzienlijk tijdsverloop en/of bij aanvang van de procedure reeds geconstateerde beperkingen. • Uit jurisprudentie van het Hof volgt dat dat de omstandigheid dat de vreemdeling niet eerder gewag heeft gemaakt van medische problematiek bij het kunnen verklaren en van medisch steunbewijs om zijn relaas te staven niet relevant is voor de omvang van de samenwerkingsplicht die verweerder heeft. • In de onderhavige procedure heeft te gelden dat verweerder, gelet op artikel 4, derde lid, van de Procedurerichtlijn, een actueel FMMU-advies ten behoeve van het aanvullend gehoor had moeten vragen. Verweerder heeft miskend dat een FMMU-advies niet alleen ziet op hoe de vreemdeling in verband met beperkingen zorgvuldig kan worden gehoord, maar óók betrekking heeft op het beslissen omdat zorgvuldig horen de beperkingen niet opheft. • Verweerder moet alert zijn op de aanwezigheid van medische problematiek om te kunnen beoordelen of hij op grond van artikel 18 van de Procedurerichtlijn verplicht is een FMO te laten verrichten. Indien verweerder zich op het standpunt stelt dat hij daartoe niet gehouden is en de vreemdeling aangeeft daarom zelf forensisch medisch onderzoek te laten verrichten, is verweerder op grond van artikel 18, tweede lid, van de Procedurerichtlijn gehouden op de bevindingen van dit onderzoek te wachten alvorens een voornemen uit te brengen, behoudens in die gevallen waarin hij aanstonds tot inwilliging van de aanvraag overgaat of evident is dat het mogelijke steunbewijs niet kan afdoen aan zijn geloofwaardigheidsbeoordeling. • De rechtbank overweegt uitdrukkelijk en bij herhaling dat het zogenoemde “onderdelenvereiste” geen rol kan spelen bij het betrekken van medisch onderzoek omdat aan deze “juridische eis” vanuit medisch wetenschappelijk perspectief eenvoudigweg niet kán worden voldaan. • Verweerder heeft voorts de waarde van het medisch steunbewijs, zoals dit uit het iMMO-rapport blijkt, niet onderkend en geheel ten onrechte buiten beschouwing gelaten bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. • Indien verweerder de inhoud en strekking van het medische deskundigenbericht wil betwisten, zal hij een deskundige moeten inschakelen om een contra-expertise te laten verrichten. Verweerder beschikt zelf niet over medische expertise en kan dus een medisch rapport zonder bijstand van een deskundige niet betwisten of weerleggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 8 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2447
- Rb. Den Haag 9 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:15271
- Rb. Den Haag 22 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13679
- Rb. Den Haag 27 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5423
- Rb. Den Haag 15 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6543
- ABRvS 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:662
- ABRvS 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4295
- ABRvS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2085
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:478
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:710