Rb. Den Haag 5 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:865
In English: ECLI:NL:RBDHA:2020:1878. SyRI-wetgeving in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten voor de Mens De rechtbank heeft vandaag uitspraak gedaan in een zaak over het Systeem Risico Indicatie (SyRI). SyRI is een wettelijk instrument dat de overheid gebruikt voor de bestrijding van fraude op bijvoorbeeld het terrein van uitkeringen, toeslagen en belastingen. De rechtbank is van oordeel dat de wetgeving die de inzet van SyRI regelt in strijd is met hoger recht. De wetgeving voldoet volgens de rechtbank niet aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten voor de Mens (EVRM). Dit artikel beschermt het recht op respect voor het privéleven. Toets De rechtbank moest toetsen of de SyRI-wetgeving in strijd is met eenieder verbindende bepalingen van internationaal of Europees recht. De rechtbank heeft beoordeeld of de SyRI-wetgeving voldoet aan artikel 8 lid 2 EVRM. Die bepaling vereist een ‘fair balance’ (een redelijke verhouding) tussen het maatschappelijk belang dat de wetgeving dient en de inbreuk op het privéleven die de wetgeving maakt. Bijzondere verantwoordelijkheid bij nieuwe technologieën Op grond van artikel 8 EVRM rust op Nederland als lidstaat bij de toepassing van nieuwe technologieën een bijzondere verantwoordelijkheid. Daarbij gaat het om de juiste balans in de weging van enerzijds de voordelen die aan het gebruik van die technologieën verbonden zijn tegenover anderzijds de inmenging die dat gebruik op het recht op respect voor het privéleven kan maken. Dit geldt ook in het geval van de inzet van SyRI. Inzet SyRI onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar De rechtbank komt tot het oordeel dat de SyRI-wetgeving in haar huidige vorm de toets van artikel 8 lid 2 EVRM niet doorstaat. De rechtbank heeft de doelen van de SyRI-wetgeving, namelijk het voorkomen en bestrijden van fraude in het belang van het economisch welzijn, afgezet tegen de inbreuk op het privéleven die de wetgeving maakt. Volgens de rechtbank voldoet de wetgeving niet aan de ‘fair balance’ die het EVRM vereist om te kunnen spreken over een voldoende gerechtvaardigde inbreuk op het privéleven. De wetgeving is wat betreft de inzet van SyRI onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar. De wetgeving is onrechtmatig want in strijd met hoger recht en dus onverbindend. Achtergrond Een aantal maatschappelijke organisaties, waaronder het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten, en twee burgers hebben deze procedure tegen de Staat aangespannen. De FNV heeft zich aan de zijde van eisers gevoegd. Eisers willen een ‘halt’ toeroepen aan het gebruik van SyRI. Zij vinden dat de overheid met de inzet van SyRI een ontoelaatbare inbreuk maakt op mensenrechten. De Staat is het niet eens met dit standpunt. De Staat heeft naar voren gebracht dat de SyRI-wetgeving voldoende waarborgen bevat om de privacy van eenieder te beschermen. zie ook ECLI:NL:RBDHA:2020:1878.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 10 Gw
- Artikel 93 Gw
- Artikel 94 Gw
- Artikel 3:303 BW3
- Artikel 3:305a BW3
- Artikel 1 SUWI
- Artikel 63 SUWI
- Artikel 64 SUWI
- Artikel 65 SUWI
- Artikel 1.1 Besluit SUWI
- Artikel 5.24 Besluit SUWI
- Artikel 5a.1 Besluit SUWI
- Artikel 5a.2 Besluit SUWI
- Artikel 5a.3 Besluit SUWI
- Artikel 5a.4 Besluit SUWI
- Artikel 5a.5 Besluit SUWI
- Artikel 5a.6 Besluit SUWI
- Artikel 5a.7 Besluit SUWI
- Artikel 8 EVRM
- Artikel 13 EVRM