CRvB 27 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3881

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering over de periode van periode van 16 juni 2004 tot en met 17 augustus 2006. Schending inlichtingenverplichting. Anders dan het Cbp in zijn onder rubriek I genoemde bevindingen van 29 mei 2007 is de Raad van oordeel dat de gegevens van adressen van uitkeringsgerechtigden met een zeer hoog of een zeer laag waterverbruik welke door het waterbedrijf door middel van een bestandskoppeling zijn verstrekt kunnen worden aangemerkt als inlichtingen welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de WWB in de zin van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder m, van de WWB. De Raad komt tot oordeel dat er een voldoende rechtvaardiging was voor de gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant, zodat niet kan worden gezegd dat de gegevensuitwisseling tegenover hem onrechtmatig was en dat de bevindingen daarvan niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag om aan te nemen, dat appellant, anders dan hij aan het College heeft opgegeven, gedurende de periode van 16 juni 2004 tot en met 17 augustus 2006 niet zijn feitelijke woonadres had op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gemeten zeer geringe waterverbruik, in weerwil van de bevindingen tijdens het bezoek aan de woning op 17 augustus 2006, toe te schrijven is aan een defecte watermeter. Door onjuiste informatie over zijn woonadres te geven heeft appellant de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting geschonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen