Rb. Den Haag 26 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7118

Eiser heeft als Afghaanse tolk voor het Amerikaanse leger en een Amerikaanse overheidsdienst in Afghanistan gewerkt. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij de Verenigde Staten (VS) voor eiser als veilig derde land beschouwt. Er is geen grond voor het oordeel dat het beleid, opgenomen in paragraaf C2/6.3 Vc, op grond waarvan ook in andere gevallen dan eerder verblijf een band met het derde land wordt aangenomen, in strijd is met de wet. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de wet en het beleid in strijd zijn met de Procedurerichtlijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser, ondanks dat hij niet eerder in de VS heeft verbleven, een band heeft met de VS in de zin van artikel 3.106a, tweede en derde lid, Vb en paragraaf C2/6.3 Vc. Er is geen grond voor het oordeel dat het beleid van verweerder, zoals opgenomen in paragraaf C2/6.3 Vc, op grond waarvan verweerder een aanvraag alleen niet-ontvankelijk verklaart op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, Vw, indien er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land, buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met de Procedurerichtlijn of de Terugkeerrichtlijn. Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende aannemelijk dat eiser binnen afzienbare tijd zal worden toegelaten tot de VS, nu die toelating afhankelijk is van de afgifte van een ‘Special Immigrants Visa’ die eiser nog zal moeten aanvragen. Uit de ingebrachte informatie van het US Department of State volgt dat eiser voorlopig een dergelijk visum niet zal kunnen aanvragen. Het zal aannemelijk moeten zijn dat eiser binnen de aan hem opgelegde vertrektermijn zal worden toegelaten tot de VS. Bij een besluit waarbij een asielaanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, Vw ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat de vreemdeling zal kunnen voldoen aan zijn terugkeerverplichting, in de zin van artikel 3, aanhef en onder 3, aanhef en onder het derde gedachtestreepje, van de Terugkeerrichtlijn, namelijk dat hij zal worden toegelaten tot het veilige derde land. De aannemelijkheid van de toelating tot het veilige derde land moet ook worden gezien in het licht van de uit artikel 38, vierde lid, van de Procedurerichtlijn voortvloeiende verplichting de vreemdeling alsnog toe te laten tot de asielprocedure, indien hij niet wordt toegelaten tot het veilige derde land, om een situatie te voorkomen waarin een vreemdeling nergens kan verblijven in afwachting van een beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken