Rb. Den Haag 16 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13791
Veilig derde land; artikel 38, tweede lid, Procedurerichtlijn; toegang tot veilige derde land Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 juni 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:7118), overweegt de rechtbank dat uit artikel 38, vierde lid, Procedurerichtlijn niet volgt dat op voorhand moet vast staan dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land. In die bepaling is immers niet meer tot uitdrukking gebracht dan dat de lidstaat de vreemdeling toegang dient te verlenen tot zijn asielprocedure, wanneer het derde land de vreemdeling niet tot zijn grondgebied toelaat. r is daarom geen grond voor het oordeel dat het beleid van verweerder, zoals opgenomen in paragraaf C2/6.3 Vc, buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 38, vierde lid, Procedurerichtlijn. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het beleid niet volgt dat het op de weg van de vreemdeling ligt om aan te tonen dat hij geen toegang zal krijgen tot het veilige derde land. Uit het beleid volgt immers dat verweerder alleen dan tot niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c, Vw overgaat, indien hij redenen heeft om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land. Dit betekent dat verweerder, alvorens zo’n beslissing te nemen, moet onderzoeken of er redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene toegelaten wordt tot het veilig geachte derde land. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft mogen stellen dat er in het geval van eiser redenen zijn om aan te nemen dat hij zal worden toegelaten tot Albanië. Het bestreden besluit is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen en het berust evenmin op een deugdelijke motivering.
De uitspraak op rechtspraak.nl