ABRvS 9 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ7947

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 24 juli 2002 in zaak nr. 200202765/1, JV 2002/311), dient de rechter de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te toetsen in het licht van de mede daaraan verbonden rechtsgevolgen. Dat betekent echter niet dat die rechtsgevolgen los van de strekking van de beschikking op de aanvraag waaruit deze voortvloeien kunnen worden beoordeeld. Vooropgesteld zij dat uit voormeld artikel 45 volgt dat het aan de desbetreffende vreemdeling is om na de afwijzing van diens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, Nederland binnen de daartoe gestelde termijn te verlaten. Eerst indien de vreemdeling niet aan die verplichting voldoet, ontstaat voor de minister de bevoegdheid om hem uit te zetten. Of de minister die bevoegdheid vervolgens ook daadwerkelijk aanwendt, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. De wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden, maakt dan ook geen deel uit van de beoordeling die de minister naar aanleiding van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te verrichten. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte de situatie in Mogadishu bij de beoordeling betrokken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen