Rb. Den Haag 7 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3998
[nieuwe elementen of bevindingen; ne bis kader; artikel 40 Richtlijn 2013/32] Eisers hebben betoogd dat uit artikel 40, gelezen in samenhang met artikel 33, van Richtlijn 2013/32, in het nationale recht geïmplementeerd in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000, volgt dat de aanvragen alleen niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden indien geen ‘nieuwe elementen of bevindingen’ aan de orde zijn gekomen of zijn voorgelegd. Het unierechtelijke begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ kan volgens eisers niet zonder meer worden geacht dezelfde betekenis te hebben als het nationaalrechtelijke begrip ‘nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden’, zoals dit nader in nationale rechtspraak vorm heeft gekregen. Volgens eisers heeft het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ betrekking op alle elementen die nog niet eerder aan de orde zijn geweest en ziet het dus ook op verwijtbaar niet eerder naar voren gebrachte feiten en omstandigheden. De rechtbank overweegt dat aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 het algemeen rechtsbeginsel ten grondslag ligt dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem), welk rechtsbeginsel eveneens ten grondslag ligt aan het (in Afdelingsjurisprudentie ontwikkelde) beoordelingskader van de rechter in het kader van opvolgende aanvragen. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of artikel 40 van Richtlijn 2013/32 zich verzet tegen de toepasselijkheid van dat beoordelingskader en de wijze waarop dat in jurisprudentie is ingevuld. De rechtbank stelt vast dat Richtlijn 2013/32 geen definitie bevat van het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moeten de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft, worden bepaald in overeenstemming met hun in de omgangstaal gebruikelijke betekenis, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden van de regeling waarvan zij deel uitmaken. Komen deze begrippen voor in een bepaling die een afwijking vormt van een beginsel, dan moeten zij aldus worden geïnterpreteerd dat deze bepaling strikt kan worden uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk aan de hand van de gebruikelijke betekenis van het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ de betekenis van dit begrip te achterhalen, nu dat begrip kan verwijzen naar nieuw ontstane elementen, in die zin dat ze eerder niet waren voorgevallen, maar ook kan verwijzen naar reeds bestaande elementen die niet eerder door de verzoeker zijn aangedragen. Daarom moet voor de uitleg van dit begrip gekeken worden naar de context van artikel 40 van Richtlijn 2013/32 en, meer in het algemeen, de algemene opzet en het doel van die richtlijn. Gelet op punt 36 van de considerans, gelezen in samenhang met artikel 33, eerste lid, het tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 40, tweede lid, van Richtlijn 2013/32, is met Richtlijn 2013/32 uitdrukkelijk beoogd de mogelijkheid te creëren om opvolgende asielverzoeken zonder inhoudelijk onderzoek af te doen bij het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen. Het vierde lid van artikel 40 van Richtlijn 2013/32 biedt lidstaten de mogelijkheid om, in afwijking van deze hoofdregel, tot een inhoudelijk onderzoek over te gaan, indien weliswaar niet gebleken is van nieuwe elementen of bevindingen, maar de verzoeker deze buiten zijn toedoen niet in het kader van de vorige procedure kon doen gelden. Uit dit vierde lid kan worden afgeleid dat geen sprake is van ‘nieuwe elementen of bevindingen’ in het geval deze reeds bestonden, maar nog niet eerder naar voren zijn gebracht. Immers, deze in het vierde lid opgenomen uitzonderingsbepaling zou zonder betekenis zijn indien het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ alle feiten en omstandigheden zou omvatten die niet eerder aan de orde zijn geweest. Steun voor deze uitleg vindt de rechtbank in de uitspraken van de Afdeling van 7 juli 2010 en 28 juni 2012. Hetgeen volgens de jurisprudentie van de Afdeling in het ne bis-beoordelingskader onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wordt verstaan beperkt zich niet tot feiten en omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen. Dit beoordelingskader sluit immers niet uit dat de rechter rekening houdt met in een opvolgende asielprocedure aangevoerde feiten of omstandigheden, die tijdens de eerdere procedure bekend waren, maar toen niet naar voren zijn gebracht, zij het dat in dat geval de vreemdeling moet onderbouwen waarom hij in de eerdere procedure hiertoe niet in staat was. Deze benadering is in overeenstemming met de in artikel 40, vierde lid, van Richtlijn 2013/32 besloten liggende beoordeling. Beroepen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl