ABRvS 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1631
Herhaalde aanvraag / beoordelingskader ne bis in idem / artikel 32 van de Procedurerichtlijn In zoverre de bestuursrechter, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, volgens voormeld beoordelingskader de beoordeling dient te verrichten of in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, is van strijd met de specifieke procedure, beschreven in artikel 32, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn geen sprake, aangezien die procedure er toe strekt dat een onderzoek wordt verricht om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn, welk onderzoek met voormelde door de bestuursrechter te verrichten beoordeling vergelijkbaar is. Voorts is het gevolg dat door dit beoordelingskader wordt verbonden aan het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden - namelijk dat in zoverre geen rechterlijke toetsing kan plaatsvinden van het besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen - niet in strijd met artikel 32, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, aangezien uit laatstgenoemd artikellid voortvloeit dat, bij het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen, geen verdere behandeling hoeft plaats te vinden. In het licht van artikel 32, tweede, derde en vierde lid, van de Procedurerichtlijn behoeft voormeld beoordelingskader derhalve geen aanpassing, overigens daargelaten de vraag of deze artikelleden ook van toepassing zijn op een rechterlijke procedure. Voorts hebben de vreemdelingen geen feiten aangedragen op grond waarvan in dit geval dient te worden aangenomen dat voormeld beoordelingskader zodanig wordt toegepast dat het met de Procedurerichtlijn beoogde resultaat niet wordt bereikt. Het in dit verband door de vreemdelingen gedane beroep op artikel 32, zesde lid, van de Procedurerichtlijn leidt niet tot het ermee beoogde doel, omdat zij niet hebben geconcretiseerd dat zij in de vorige procedure de in artikel 32, derde, vierde en vijfde lid, van de Procedurerichtlijn beschreven situaties niet konden doen gelden. Gezien het vorenstaande, heeft de voorzieningenrechter voormeld beoordelingskader terecht van toepassing geacht. Artikel 4:6 van de Awb biedt een grondslag voor het bestuur om te beoordelen of de aanvrager in het kader van een opvolgende aanvraag na een eerder afwijzend besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd en is, nu die beoordeling vergelijkbaar is met de beoordeling die door de bestuursrechter wordt verricht in het kader van eerdergenoemd beoordelingskader, in overeenstemming met de specifieke procedure, beschreven in artikel 32, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn. Voorts is de in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om, indien dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet zijn vermeld, de aanvraag af te wijzen en daarbij te volstaan met een verwijzing naar het eerdere besluit, in overeenstemming met artikel 32, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, nu uit laatstgenoemd artikellid voortvloeit dat, zoals hiervoor onder 2.2.7. is weergegeven, bij het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen, geen verdere behandeling van het asielverzoek hoeft plaats te vinden. Gelet hierop is artikel 32, tweede, derde en vierde lid, van de Procedurerichtlijn correct geïmplementeerd in de Awb. Het in dit verband door de vreemdelingen gedane beroep op artikel 32, zesde lid, van de Procedurerichtlijn leidt om dezelfde reden als hiervoor onder 2.2.7. weergegeven niet tot het ermee beoogde doel. Gezien het vorenstaande is met de door de vreemdelingen ingeroepen bepalingen van de Procedurerichtlijn geen sprake van een voor hen relevante wijziging van het recht, zodat de voorzieningenrechter in zoverre terecht tot ongegrondverklaring van het beroep heeft geconcludeerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl