ABRvS 28 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX0767
De Afdeling heeft eerder (uitspraak van 7 juli 2010 in zaak nr. 200907796/1/V2; LJN: BN1631) overwogen dat art. 32 van de Procedurerichtlijn zich niet verzet tegen de toepasselijkheid van voormeld beoordelingskader (hierna: het ne bis beoordelingskader). Daarbij heeft zij van belang geacht dat het onderzoek dat ingevolge art. 32, lid 2 en 3 van de Procedurerichtlijn moet worden verricht om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn, vergelijkbaar is met voormelde door de bestuursrechter te verrichten beoordeling. Hetgeen de vreemdeling in deze zaak heeft aangevoerd geeft geen aanleiding van dit oordeel terug te komen. (…) Voor zover de vreemdeling beoogt te betogen dat de term 'nieuwe elementen of bevindingen' in art. 32, lid 3 van de Procedurerichtlijn ertoe noopt dat bij een opvolgend asielverzoek alle feiten en omstandigheden die nog niet eerder aan de orde zijn geweest of die een asielzoeker nog niet eerder heeft aangevoerd bij de inhoudelijke beoordeling van dat asielverzoek moeten worden betrokken, ongeacht of deze in de eerdere procedure hadden kunnen worden ingebracht, vindt dit betoog, mede gelet op de in het zesde lid van dit artikel opgenomen uitzonderingsbepaling, geen steun in de tekst noch in de considerans van de Procedurerichtlijn. Voorts beperkt hetgeen in het ne bis-beoordelingskader onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wordt verstaan zich niet tot feiten en omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2003 in zaak nr. 200306257/1, JV 2004/51). Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2012 in zaak nr. 201000243/1/V3 (LJN: BV1584) dat voormeld beoordelingskader evenmin uitsluit dat de rechter rekening houdt met in een opvolgende procedure aangevoerde feiten of omstandigheden, die tijdens de eerdere procedure bekend waren, maar toen niet naar voren zijn gebracht, zij het dat in dat geval de desbetreffende vreemdeling concreet moet onderbouwen waarom hij hiertoe in de eerdere procedure niet in staat was. Deze benadering is in overeenstemming met de in art. 32, lid 6 van de Procedurerichtlijn, besloten liggende beoordeling of aan een vreemdeling is toe te rekenen dat hij een omstandigheid of gebeurtenis niet in de eerdere procedure kenbaar heeft gemaakt. (…) Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de in art. 32, lid 4 van de Procedurerichtlijn vervatte beoordeling of nieuwe elementen en bevindingen zijn overgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de asielzoeker voor erkenning als vluchteling in aanmerking komt, een ruimere strekking heeft dan de beoordeling of op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen, die in het kader van de ne bis beoordeling wordt verricht. Immers, in beide gevallen dient te worden bezien of hetgeen is aangevoerd of overgelegd relevant is voor de beoordeling van het asielverzoek. (…) [A]ls sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 19 februari 1998, Bahaddar tegen Nederland, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45 (hierna: het arrest Bahaddar) kan noodzaak bestaan die regels niet tegen te werpen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2003 in zaak nr. 200305200/1, JV 2003/530, kan worden afgeleid dat dit evenzeer van toepassing is op in andere verdragen neergelegde refoulementverboden. In een dergelijk geval kan de bestuursrechter het besluit van gelijke strekking, ondanks het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, toetsen, voor zover deze feiten en omstandigheden daartoe nopen (…). Aldus is gewaarborgd dat een dreigende schending van art. 3 van het EVRM of het refoulementverbod aan de rechter kan worden voorgelegd. (…) In de uitspraak van 14 juli 2011 in zaak nr. 201009278/1/V3 (LJN: BR3771) heeft de Afdeling overwogen dat, (…) aangenomen moet worden dat de artikelen 18 en 19, lid 2 van het EU Handvest, voor zover hier van belang, geen additionele rechten omvatten. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2011 in de gevoegde zaken C 411/10 en C 493/10, N.S. e.a., (www.curia.europa.eu) volgt dat zo op de juiste wijze is beoordeeld of wordt voldaan aan de eisen die voortvloeien uit het Unierecht. De artikelen 18 en 19 van het EU Handvest staan derhalve evenmin aan de toepassing van het ne bis beoordelingskader in de weg.
De uitspraak op rechtspraak.nl