Rb. Den Haag 21 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:8479
Richtlijn 2011/95/EU, Definitierichtlijn, subsidiaire beschermingsstatus, EVRM, Gaddafi-regime, Libië, veiligheidssituatie, rigorous scrutiny, risicofactoren, ex nunc, besluit- en vertrekmoratoria, anti-Gaddafi, Gaddafi-sympathisant, artikel 3.37e, Voorschrift Vreemdelingen 2000, VV 2000, ambtsbericht inzake Libië, WBV 2012/15, landgebonden asielbeleid Libië, Ouhaydat-stam, positieve overtuigingskracht, WBV 2014/36, werkinstructie 2014/10, integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, EHRM, Koninklijke Marechaussee, KMar, artikel 3 EVRM, intrekkingsgehoor, de val van Gaddafi, paragraaf C2/3.3 Vc 2000, individualiseringsvereiste, uitzonderlijke situatie, niet ingrijpend en duurzaam verbeterd, Hof van Justitie van de Europese Unie, HvJ-EU, Tripoli, niet-voorbijgaand, beslisboom, European Asylum Support Office, EASO, oorlogsmethoden, burgerslachtoffers, indiscriminate shelling, UNSMIL, OHCHR, Libya Body Count, UNHCR, ontheemden, het aantal gewonde burgers, kuststeden, brandhaard, wijdverbreid, de door de strijdende partijen gehanteerde methoden, ongetrainde personen, zware wapens, bewapende milities, fluïde situatie in Libië, gezamenlijk ambtsbericht, coproductie, Nederland, België, Zweden, Noorwegen, Utlendingsnemnda, UNE, juridische kwalificatie, identieke feitelijke situatie, identiek normenkader, tussenuitspraak, artikel 8 EVRM, ex tunc, artikel 8:51a, Awb De rechtbank merkt op dat in de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2015 het aantal gewonde burgers niet is betrokken in de beoordeling en ook niet is vastgesteld of deze gegevens beschikbaar zijn. Libya Body Count rapporteert uitsluitend dodelijke slachtoffers. De rechtbank stelt verder vast dat uit de Libya Body Count (na doorklikken: www.libyabodycount.org/table) wel kan worden afgeleid of de gerapporteerde doden burgerslachtoffers betreffen. Ook volgt uit deze bron, evenals de andere door eiser ingebrachte informatie, dat de tweede Libische burgeroorlog een binnenlands gewapend conflict betreft dat zich zodanig uitstrekt over de kuststeden dat nagenoeg het gehele bewoonde deel van Libië tot brandhaard gerekend kan worden. In het bestreden besluit en met de enkele verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2015 en 3 maart 2015 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de verschillende elementen van 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn zijn ingevuld en gewogen. Verweerder heeft ter zitting geen uitsluitsel kunnen geven hoe in zijn beleid de term “wijdverbreid” uitgelegd wordt. Tevens is ter zitting niet duidelijk geworden welk geografisch gebied verweerder tot uitgangspunt neemt bij de beoordeling van de vraag of zich hier een uitzonderlijke situatie als bedoeld in 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voordoet. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt of hierbij de veiligheidssituatie in het gehele land of uitsluitend (delen van) Tripoli wordt beoordeeld. Ook de door de strijdende partijen gehanteerde methoden zijn bij de besluitvorming niet kenbaar betrokken. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de door de aard van het conflict ontstane situatie, waarin veelal ongetrainde personen zware wapens hanteren, van invloed kan zijn op het risico op burgerslachtoffers. De rechtbank stelt vast dat in dit specifieke geval voor het eerst de informatievergaring en verslaglegging over de veiligheidssituatie in een bepaald land in een gezamenlijk ambtsbericht heeft plaatsgevonden. Het ambtsbericht inzake Libië van 19 december 2014 is een coproductie van Nederland, België, Zweden en Noorwegen. België kwalificeert de feitelijke situatie in Libië mede op basis van dit ambtsbericht als een situatie bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ook Zweden heeft een aantal kuststeden aangewezen als 15c-gebied. Verder heeft Noorwegen feitelijk een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld, nu dit land blijkens het van de Noorse immigratiedienst Utlendingsnemnda (UNE) verkregen document van 5 januari 2015, het nemen van beslissingen in Libische asielzaken heeft opgeschort en de gedwongen terugkeer van asielzoekers naar Libië heeft opgeschort vanwege het aanhoudend gewapend conflict aldaar. Aangezien deze landen voor hun juridische kwalificatie van de situatie in Libië van een identieke feitelijke situatie en een identiek normenkader zijn uitgegaan, dient verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in het bijzonder rekenschap te geven van het beleid dat deze landen zijn gaan voeren. Hoewel iedere lidstaat een eigen bevoegdheid toekomt, laat dit naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat verweerder dient te motiveren waarom hij de veiligheidssituatie in Libië, zoals beschreven in het gezamenlijk ambtsbericht, juridisch anders kwalificeert dan België, Zweden en Noorwegen. Daarbij kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de enkele constatering ter zitting dat het hier om een politieke beslissing gaat. Verweerder heeft in de brief van 16 januari 2015 het beleid in omliggende landen wel genoemd, maar geeft geen inzicht op welke wijze dit is betrokken bij de formulering van het landgebonden beleid ten aanzien van Libië. De rechtbank overweegt hierbij dat het niet goed denkbaar is dat verweerder niet op de hoogte is van de redenen die bij bovengenoemde andere landen ten grondslag ligt aan hun beleid. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in dit geval met de enkele verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2015, 3 maart 2015 en 19 mei 2015 onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Nu verweerder met het oog op zijn reactie op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 niet voldoende zorgvuldig heeft onderzocht en – dus – in die reactie ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat zich in Tripoli, Libië, op het moment van het sluiten van het onderzoek ter zitting op 21 mei 2015 niet de uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 bescherming biedt en zich dus geen andere grond voordoet op grond waarvan eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade waartegen hij subsidiaire bescherming nodig heeft, is het bestreden besluit en verweerders aanvullende reactie op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in zoverre in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 19 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1695
- ABRvS 9 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1201
- ABRvS 3 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:792
- ABRvS 27 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:786
- ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:600
- ABRvS 25 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1703
- ABRvS 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877
- ABRvS 18 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4534
- ABRvS 29 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG9599
- ABRvS 8 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC9690
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:105