ABRvS 29 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG9599
Geloofwaardigheid asielrelaas / ontbreken documenten / minderjarige De vreemdeling heeft verklaard dat hij samen met een reisagent vanuit Afghanistan naar Nederland is gereisd, dat deze reisagent de reis heeft geregeld en dat de vliegtickets bij hem zijn achtergebleven. Hij heeft niet gesteld dat hij niet over de vliegtickets kon beschikken. De staatssecretaris heeft zich in het in het besluit ingelaste voornemen van 22 februari 2007 tot afwijzing van de aanvraag op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat de vreemdeling geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen, nu, gelet op de verklaring van de vreemdeling dat hij per vliegtuig van Afghanistan naar Nederland is gereisd, in redelijkheid mag worden verondersteld dat deze reis met documenten te staven is en dat de verklaring van de vreemdeling dat de reisagent de hele reis voor hem geregeld heeft, als onvoldoende van de hand wordt gewezen. De vreemdeling heeft dit standpunt in beroep niet bestreden; evenmin heeft hij in zijn zienswijze op het voornemen op dit punt gereageerd op het standpunt van staatssecretaris. Nu de vreemdeling zijn reisverhaal niet heeft gestaafd met documenten, zoals de vliegtickets, en deze volgens het door de staatssecretaris gevoerde beleid noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, heeft de staatssecretaris reeds om die reden terecht met toepassing van het hiervoor weergegeven beleid het ontbreken van reisdocumenten aan de vreemdeling toegerekend. Dat de vreemdeling ten tijde van zijn reis minderjarig was, biedt in dit geval, mede gelet op zijn leeftijd van veertien jaar bij inreis, geen grond voor het oordeel dat het ontbreken van deze documenten niet aan de vreemdeling mag worden toegerekend. De grieven slagen reeds hierom.
De uitspraak op rechtspraak.nl