Rb. Den Haag 4 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13909
Herhaald verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring en actualisering ambtsbericht van de AIVD/ omzetting ongewenstverklaring naar een inreisverbod voor de duur van twintig jaar /in verband met het opleggen van het inreisverbod en de lengte van duur daarvan is onvoldoende gemotiveerd waarom in Libië geen sprake is van de in artikel 15 c van de Definitierichtlijn bedoelde uitzonderlijke situatie/geen aanleiding voor bestuurlijke lus/ beroep gegrond en vernietiging bestreden besluit waardoor ongewenstverklaring weer herleeft In de vorige procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet gehouden was een nieuw ambtsbericht van de AIVD te vragen, omdat eiser niet ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland had verbleven en geen bijzondere feiten of omstandigheden had aangevoerd op grond waarvan verweerder in afwijking van zijn beleid verplicht was de AIVD te vragen of het ambtsbericht nog steeds actueel was. In deze procedure stelt de rechtbank vast dat eiser (nog steeds) niet gedurende een termijn van ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven. Niet is gebleken of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser zich niet naar een derde land had kunnen begeven waar hij zich had kunnen vestigen. Verder heeft hij bij zijn verzoek om opheffing noch in de bestuurlijke fase bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd – anders dan louter tijdsverloop – op grond waarvan verweerder in afwijking van zijn beleid gehouden zou zijn de AIVD te vragen of het ambtsbericht nog steeds actueel is. Verweerder heeft de ongewenstverklaring vanwege de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn omgezet naar een inreisverbod. Dat die omzetting niet nodig was, wordt niet gevolgd. Eiser heeft immers verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring en verweerder diende met inachtneming van de Terugkeerrichtlijn en door eiser aangevoerde individuele omstandigheden een eindtermijn te bepalen van de duur van het inreisverbod. Op grond van artikel 6.5a, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit kon verweerder daarbij als uitgangspunt nemen dat een ongewenstverklaring vanwege gevaar voor de nationale veiligheid vergelijkbaar is met een inreisverbod voor de duur van ten hoogste twintig jaren. Met betrekking tot de vraag of verweerder geen dan wel een inreisverbod van kortere duur had moeten uitvaardigen vanwege de artikelen 3 en 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen, nu verweerder hiertoe eerder in een andere zaak al in de gelegenheid heeft gesteld om dit gebrek te herstellen en daarin niet is geslaagd (ECLI:NL:RBDHA:2015:13445). Het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd. Er dient opnieuw besloten te worden op het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring. De vernietiging van het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van twintig jaar betekent immers dat de ongewenstverklaring is komen te herleven (vergelijk Afdeling van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2953).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 24 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13445
- ABRvS 19 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1695
- ABRvS 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2953
- ABRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2393
- ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1434
- ABRvS 30 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1046
- ABRvS 26 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:522
- ABRvS 25 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:143
- Rb. 's-Gravenhage 23 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2249
- Rb. 's-Gravenhage 5 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:23999
- Rb. 's-Gravenhage 1 februari 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AX2932
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2013:569