Rb. 's-Gravenhage 23 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2249

Trefwoorden: Ongewenstverklaring, rechtsherstel, opheffing ongewenstverklaring, AIVD, art. 3 EVRM, duurzaamheidseis, art. 8 EVRM. Rechtsherstel: Eiser is bij besluit van 4 november 2005 ongewenst verklaard. Deze ongewenstverklaring staat in rechte vast. In die procedure is aangenomen dat eisers uitzetting naar Libië geen schending zal opleveren van artikel 3 van het EVRM. Bij uitspraak van 20 juli 2010 heeft het EHRM eisers klacht over schending van artikel 3 van het EVRM gegrond verklaard en geoordeeld dat eisers uitzetting naar Libië schending zou opleveren van voormelde bepaling. Eiser heeft vervolgens om opheffing van de ongewenstverklaring en om rechtsherstel gevraagd. Verweerder heeft alleen onderzocht of aanleiding bestaat voor opheffing van de ongewenstverklaring. Het Nederlandse recht sluit niet uit dat verweerder een ongewenstverklaring intrekt. In het licht van deze bevoegdheid had verweerder eerst moeten onderzoeken of hij, als destijds zou zijn aangenomen dat eiser niet kon terugkeren naar Libië, tot ongewenstverklaring van eiser zou zijn overgegaan. Pas na een bevestigende beantwoording van deze vraag, is aan de orde of eiser aan de criteria voor opheffing van de ongewenstverklaring voldoet. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat een volledige heroverweging van de ongewenstverklaring had moeten plaatsvinden, rekening houdend met alle gewijzigde feiten en omstandigheden. Dat zou verder gaan dan nodig is voor rechtsherstel. De verplichting tot rechtsherstel houdt in dat eiser zoveel mogelijk in de positie moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als verweerder in het kader van de ongewenstverklaring niet zou zijn uitgegaan van de mogelijkheid van terugkeer naar Libië. De ongewenstverklaring dient te worden heroverwogen voor zover zij op dit onjuiste uitgangspunt berust. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de feiten en omstandigheden ten tijde van de ongewenstverklaring. Een verdergaande heroverweging zou inbreuk maken op de formele rechtskracht van de ongewenstverklaring. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder geen onderzoek hoefde te verrichten naar het ambtsbericht van de AIVD van 9 februari 2005. In rechte staat vast dat verweerder op grond van dit ambtsbericht heeft mogen concluderen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid. Dit punt staat niet opnieuw ter beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting om te onderzoeken of, als destijds zou zijn aangenomen dat eiser niet kon terugkeren naar Libië, tot ongewenstverklaring zou zijn overgegaan. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Awb. Beroep gegrond. De rechtbank overweegt dat bij een ongewenstverklaring op de vreemdeling de plicht blijft rusten om Nederland zelfstandig te verlaten en dus zelf gevolg te geven aan zijn vertrekplicht. De omstandigheid dat eiser niet kon terugkeren naar Libië, is niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat verweerder van de ongewenstverklaring van eiser had moeten afzien. Het lag op de weg van eiser om te onderzoeken welke mogelijkheden hij had om zich in derde landen te vestigen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geen derde land was waar hij zich had kunnen vestigen. Daarbij komt dat verweerder de nadelen die voor eiser voortvloeien uit het feit dat hij moet vertrekken, maar niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, heeft mogen afwegen tegen het belang van de Nederlandse staat bij bescherming van de openbare orde en nationale veiligheid. Gelet op het voorgaande leidt de vaststelling dat terugkeer naar Libië niet mogelijk was niet tot de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid tot ongewenstverklaring van eiser heeft kunnen besluiten. De constatering van verweerder dat eiser destijds niet kon worden uitgezet naar Libië neemt niet weg dat de ongewenstverklaring een inmenging betekende in het gezinsleven van eiser. De rechtbank heeft destijds geoordeeld dat deze inmenging gerechtvaardigd was in het belang van de bescherming van de nationale veiligheid of openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. De omstandigheid dat nu vaststaat dat eiser niet kon terugkeren naar Libië leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij, als destijds rekening zou zijn gehouden met de onmogelijkheid van terugkeer van eiser naar Libië, ook tot ongewenstverklaring zou zijn overgegaan. Opheffing ongewenstverklaring:

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen