Rb. Den Haag 27 januari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1181
Visumcode. VIS-verordening. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Afwijzing visum, omdat andere lidstaat bezwaar heeft tegen afgifte visum. Motiveringsplicht. Onderzoeksplicht. Ervan uitgaande dat Hongarije bezwaar heeft tegen afgifte van het door eiser gevraagde visum, moet worden geoordeeld dat verweerder het visum terecht heeft geweigerd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub vi, van de Visumcode. Verweerder heeft deze afwijzingsgrond in het primaire besluit door middel van het ingevolge artikel 32, tweede lid, van de Visumcode voorgeschreven standaardformulier van bijlage VI aan eiser kenbaar gemaakt en in de bezwaarfase en in het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat Hongarije bezwaar heeft tegen afgifte van het gevraagde visum. Eiser heeft aldus kennis kunnen nemen van de redenen waarop de jegens hem genomen besluiten zijn gebaseerd. Aangezien eiser voorts kennis heeft kunnen nemen van alle stukken en opmerkingen die aan de rechtbank zijn toegezonden en daarover zijn standpunt naar voren heeft kunnen brengen, moet worden geoordeeld dat de rechten van verdediging zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest niet zijn geschonden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 oktober 2014, C-437/13, Unitrading Ltd, www.curia.eu, punten 20, 21 en 22). De rechtbank deelt niet het standpunt van eiser dat verweerder gehouden is om bij de Hongaarse autoriteiten de reden van bezwaar tegen afgifte van het gevraagde visum op te vragen en deze reden vervolgens aan eiser mee te delen. Uit de Visumcode kan een dergelijke verplichting niet worden afgeleid, terwijl uit de hiervoor weergegeven artikelen 38 en 40 van de VIS-verordening volgt dat eiser zich met betrekking tot de door Hongarije in het VIS over hem opgevoerde gegevens dient te wenden tot de Hongaarse autoriteiten en zo nodig tot de Hongaarse rechter.
De uitspraak op rechtspraak.nl