Rb. Den Haag 22 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12367
Verweerder heeft de aanvraag van eiser, van Eygptische nationaliteit, tot het verlenen van een visum kort verblijf voor een zakenreis naar Polen afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onderdeel a, onder vi, Visumcode. Eiser wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen omdat Polen bezwaar heeft gemaakt tegen afgifte van het visum. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van de bilaterale overeenkomst tussen Polen en Nederland blijkt dat sprake is van volledige vertegenwoordiging waarbij Nederland namens Polen een aanvraag kan toe- of afwijzen. Dat uit paragraaf 4 van de bilaterale overeenkomst blijkt dat tevens sprake is van een consultatieplicht conform artikel 22 van de Visumcode, doet aan het voorgaande niet af. Immers ook bij volledige vertegenwoordiging is deze consultatie mogelijk. Het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat sprake is van gedeeltelijke vertegenwoordiging, conform artikel 8, tweede lid, Visumcode houdt derhalve geen stand. Evenmin volgt de rechtbank verweerders standpunt dat uit artikel 32, derde lid, Visumcode volgt dat enkel het Nederlands recht van toepassing is met betrekking tot de wijze waarop een rechtsmiddel tegen de afwijzing van de aanvraag kan worden ingediend. Uit artikel 32, derde lid, Visumcode volgt immers dat de nationale wetgeving van de afwijzende lidstaat op het beroep van toepassing is, waarbij niet wordt vermeld dat enkel het formele en niet het materiële recht van toepassing is. Gelet daarop is verweerder in casu bij het nemen van het bestreden besluit ook gebonden aan artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten slotte stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom Polen eiser beschouwt als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van een of meer lidstaten. Evenmin heeft verweerder hieromtrent bij de Poolse autoriteiten, na ontvangst van het bezwaarschrift, navraag gedaan dan wel om een toelichting gevraagd, zodat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht conform artikel 3:2 Awb. De stelling van verweerder dat eiser zich voor nadere informatie hieromtrent rechtstreeks diende te wenden tot de Poolse autoriteiten, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank wijst in dit verband ook naar de preambule van de Visumcode waar onder punt 7 is opgenomen dat de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat het één-loketprincipe op alle aanvragers wordt toegepast. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl