Rb. Den Haag 23 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:15958

Verzoek om bed, bad en brood/ opvang en leefgeld door ongedocumenteerde/ uitgeprocedeerde asielzoeker. Beslissing ECSR. Wetsartikelen: artikelen 3 en 8 van het EVRM, artikelen 13 en 31 van het ESH, artikelen 7:3, 7:12 en 8:72 van de Awb. Samenvatting: Verzoek om opvang en leefgeld door ongedocumenteerde/ uitgeprocedeerde asielzoeker. Beroep op de beslissing van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) in de zaak Conference of European Churches (CEC) v. the Netherlands (No. 90/2013) van 1 juli 2014, gepubliceerd op 10 november 2014. De rechtbank is in het licht van het standpunt van het ECSR van oordeel dat het verstoken zijn van toegang tot (enige vorm van) onderdak, eten en kleding voor uitgeprocedeerde asielzoekers/ongedocumenteerden het respect voor de menselijke waardigheid zo raakt dat dit leidt tot een situatie dat de normale ontwikkeling van het privéleven onmogelijk wordt gemaakt. Gelet hierop komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er op grond van artikel 8 van het EVRM een positieve verplichting op de Staat rust om eiser toegang tot onderdak, eten en kleding te verstrekken. De vraag die vervolgens aan de orde is, is of aan die uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende verplichting is voldaan in het geval eiser (in de visie van verweerder: uitsluitend) gebruik kan maken van voorzieningen in een VBL nadat hem op zijn verzoek een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd op grond van artikel 56 van de Vw. De rechtbank overweegt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom bij de toepassing van artikel 8 van het EVRM aan de gezaghebbende beslissing van het ECSR voorbij kan worden gegaan bij gebreke van het door het Comité van Ministers van de Raad mogelijkerwijs nog in te nemen standpunt. Gelet op het vrijheidsbeperkende karakter van de maatregel op grond van artikel 56 van de Vw en de daaraan verbonden voorwaarden (het belang van de openbare orde of nationale veiligheid vorderen de maatregelen en betrokkene moet meewerken aan zijn vertrek), kon verweerder niet volstaan met zijn betoog dat opname in een VBL voldoende is om uitvoering te geven aan een (in zijn visie: eventueel) op hem rustende positieve verplichting op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom hij op dit punt niet méér zou moeten doen, waarbij hij ook andere vormen van onderdak, eten en kleding biedt aan betrokkenen.Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. Verder ziet de rechtbank gelet op wat in overwegingen 12 tot en met 14 is overwogen, de (afwachtende) houding van verweerder, de aard van de gevraagde voorziening en de omstandigheid dat het winter is op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, aanleiding een voorlopige voorziening te treffen tot aan een nieuw besluit van verweerder als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb. Verweerder dient eiser in ieder geval toegang te bieden tot nachtopvang, een douche, ontbijt en de avondmaaltijd zonder andere dan voor het ordelijk verstrekken daarvan vereiste (toegangs- en gebruiks)voorwaarden te stellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken