Rb. Den Haag 8 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9756

verzoek om opvang en leefgeld; bevoegdheid; uitspraak ECSR In het onderhavige geval is geen sprake van een publiekrechtelijke grondslag, gelegen in internationaal recht, nu uit artikel 8 EVRM niet kan worden opgemaakt aan wie in dit kader een bevoegdheid is toegekend. De reactie van verweerder op het verzoek om opvang en leefgeld op grond van artikel 8 EVRM te verstrekken, is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De vreemdelingenrechter is, op grond van artikel 72, derde lid, Vw bevoegd het geschil te beoordelen. Vaststaat dat eiseres buiten de reikwijdte van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) valt. Vervolgens is de vraag aan de orde of artikel 8 EVRM de verplichting met zich kan brengen om aan eiseres, als uitgeprocedeerde vreemdeling, onderdak en leefgeld te verstrekken. Zoals de Afdeling reeds eerder bij uitspraak van 22 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2098) heeft overwogen, kan uit artikel 8 EVRM noch uit de jurisprudentie van het EHRM worden afgeleid dat voor de Staat een algemene verplichting bestaat om aan een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling opvang te verlenen. Uit de jurisprudentie van het EHRM kan echter wel worden afgeleid dat het in artikel 8 EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven - dat mede de fysieke en psychische integriteit van een persoon omvat - onder omstandigheden verplichtingen voor de Staat meebrengt om dat recht te waarborgen. Derhalve kan in een voorkomend geval het recht op respect voor het privéleven van een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling relevant zijn voor de vraag of op de Staat een verplichting rust om die vreemdeling opvang te verlenen. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het ECSR in de beslissing van 1 juli 2014, gepubliceerd op 10 november 2014, heeft bepaald dat Nederland in strijd met artikel 13, vierde lid en artikel 31, tweede lid, ESH, handelt door vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben uit te sluiten van toegang tot onderdak, eten en kleding. De rechtbank overweegt dat beslissingen van het ECSR, zoals die van 1 juli 2014 inzake CEC v. the Netherlands, niet rechtstreeks bindend zijn voor de (verdrags)partij(en), maar dat dergelijke beslissingen wel gezaghebbend zijn (zie het advies van de vice-president van de Raad van State van 13 december 2013 (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 183, alsmede het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW5328 en ECLI:NL:HR:2012:BX9968)). Het is aan de nationale rechter om in een concreet geval tot oordeelsvorming te komen. Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4178), waarin het mogelijke belang van de beslissing van het ECSR voor de rechtsvinding in het licht van de toepassing van onder meer artikel 8 EVRM is genoemd. Nu eiseres op grond van het ontbreken van een verblijfsrecht in Nederland niet zelfstandig in haar levensonderhoud kan voorzien en in beginsel evenmin aanspraak heeft op bestaande sociale voorzieningen, is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat eiseres onder de groep te scharen is die betrokken is bij de beslissing van het ECSR en het onthouden van onderdak, eten en kleding aldus in strijd kan komen met de verplichtingen ingevolge artikel 8 EVRM. Nu het ECSR voorts in voormelde beslissing heeft geoordeeld dat de staat geen voorwaarden mag stellen aan de toegang tot onderdak, eten en kleding en dat het ECSR daarin ook nadrukkelijk de mogelijkheid van het opleggen van een maatregel op grond van artikel 56 Vw heeft betrokken, is de rechtbank van oordeel, mede gelet op het vrijheidsbeperkende karakter van die maatregel en de daaraan verbonden voorwaarden, dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met verwijzing naar de VBL te Ter Apel. Verweerder heeft daarom tegen de achtergrond van de beslissing van het ECSR onvoldoende gemotiveerd waarom hij op dit punt niet méér zou moeten doen, waarbij hij ook andere vormen van onderdak, eten en kleding kan bieden aan betrokkenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken