CRvB 2 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5501

1) Het college heeft ten onrechte het bezwaar tegen de brief van 2 december 2010, waarin is medegedeeld dat een regeling waaraan een “Rotterdam status”, de voorganger van de -zogenaamde bbb-regeling- zou kunnen worden ontleend het college onbekend is, niet-ontvankelijk verklaard. Het college ziet de toelating tot deze opvang als een feitelijke handeling en niet als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarom is ook voor een informerende brief gekozen. De brief van 2 december 2010 behelst een weigering om appellant op te vangen op grond van de - voorganger van - de bbb-regeling. Deze weigering is op rechtsgevolg gericht. 2) Afwijzing aanvraag om toegang tot de maatschappelijke opvang onder verwijzing naar artikel 20 van de Wmo berust op goede gronden. Het college heeft daarbij aangegeven dat op grond van de Wmo Rotterdam is aangewezen als centrumgemeente voor maatschappelijke opvang en dat een aantal criteria zijn ontwikkeld voor toelating tot die opvang, waaraan niet is voldaan. Koppelingswetgeving. Uit het rapport van de GGD-arts komt in onvoldoende mate naar voren dat de fysieke en psychische gezondheid van appellant substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang. Appellant behoort gelet op zijn gezondheidstoestand niet tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van hun gezin- of privéleven. Niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen