Rb. Den Haag 11 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10097
Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, verzet de Terugkeerrichtlijn zich er niet tegen dat verweerder als uitgangspunt hanteert dat de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op een vreemdeling impliceert dat deze vreemdeling een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid en in beginsel een inreisverbod ter hoogte van de maximale termijn van tien jaar genoemd in artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb 2000 oplegt aan een dergelijke vreemdeling. Zoals de rechtbank ook eerder heeft overwogen hanteert verweerder een te streng toetsingskader door – in het kader van het opleggen van het inreisverbod – enkel te beoordelen of artikel 8 van het EVRM noopt tot het toestaan van verblijf. Dit is niet in overeenstemming met het doel en de strekking van artikel 11, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, waaraan artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 is ontleend. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan het belang van de Staat in dit geval doorslaggevend betekenis toekomt. Verweerder heeft er onvoldoende blijk van gegeven de nog jeugdige leeftijd van eisers jongste dochter te hebben betrokken bij de beoordeling, in samenhang met het belang dat zij heeft bij de fysieke aanwezigheid van haar vader, zeker bezien in het licht van de aanwezigheid van de objectieve belemmering om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Verweerders stelling dat eiser en zijn gezin gebruik kunnen maken van moderne communicatiemiddelen kan in het licht van het arrest Udeh tegen Zwitserland van 16 april 2013, nr. 12020/09 niet worden aangemerkt als een deugdelijke motivering.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 29 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:632
- Rb. Den Haag 27 juni 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11591
- Rb. 's-Gravenhage 26 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4028
- ABRvS 8 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9261
- ABRvS 25 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3728
- Hof van Justitie van de Europese Unie 9 november 2010, ECLI:NL:XX:2010:BO5518