ABRvS 8 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9261
VREEMDELINGENBEWARING. Bij een besluit tot ongewenstverklaring, ook als dit ruim vóór het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn en voor de inwerkingtreding van Vw 2000 is genomen, behoeft geen afzonderlijk terugkeerbesluit meer te worden genomen. Bij besluit van 20 juli 1998 is de vreemdeling ongewenst verklaard. In het voorblad bij deze beschikking staat dat de vreemdeling ongewenst is verklaard en dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Tegen de ongewenstverklaring heeft de vreemdeling op 20 augustus 1998 een bezwaarschrift ingediend. Dit is op 7 februari 2002 ongegrond verklaard. Onder punt 4 van dit besluit, onder het kopje "Rechtsgevolgen van deze beschikking" staat, voor zover thans van belang, dat de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift tot gevolg heeft dat de ongewenstverklaring wordt gehandhaafd en dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben. Aldus is in het besluit van 20 juli 1998 de door de richtlijn vereiste administratieve vaststelling vervat dat het verblijf van de derdelander onrechtmatig is of wordt en dat er een terugkeerverplichting is. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat na een zodanig besluit tot ongewenstverklaring, ook als dit ruim vóór het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn en voor de inwerkingtreding van Vw 2000 is genomen, geen afzonderlijk terugkeerbesluit meer behoeft te worden genomen. Nu dit terugkeerbesluit in de beslissing op het tegen de ongewenstverklaring gerichte bezwaar is gehandhaafd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het terugkeerbesluit van 20 juli 1998 niet als grondslag voor de aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring mocht dienen.
De uitspraak op rechtspraak.nl