Rb. 's-Gravenhage 26 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4028

In onderhavige procedure kan de vraag of artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag terecht op eiser van toepassing is verklaard niet aan de orde komen. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij, om redenen gelegen in zijn persoonlijke omstandigheden, bij terugkeer een reëel risico loopt op een door artikel 3 EVRM verboden behandeling. Verder is niet gebleken dat de algemene situatie in Afghanistan zo ernstig is, dat terugkeer naar dat land reeds als een schending van artikel 3 EVRM moet worden aangemerkt. Gelet op de overgelegde informatie is reeds op voorhand duidelijk dat eiser niet lijdt aan een ziekte als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 8 EVRM is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door te overwegen dat eisers vrouw en kinderen, met name zijn dochters, zich samen met eiser naar Afghanistan kunnen begeven en zich aldaar kunnen aanpassen, er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat juist Afghaanse meisjes in de leeftijd tussen 10 en 17 jaar, die acht jaar of meer in Nederland hebben verbleven, in beginsel worden aangemerkt als verwesterd. Door te overwegen dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen, heeft verweerder ten onrechte de positie van eisers vrouw en kinderen buiten beschouwing gelaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen