ABRvS 15 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9111
Gelet hierop en nu de definitie van het begrip "terugkeerbesluit" in art. 1, aanhef en onder s, van de Vw 2000, verwijst naar de definitie van dat begrip, zoals weergeven in art. 3, punt 4, van de Terugkeerrichtlijn, moet onder het woord "Nederland" in de artikelen 62, lid 1 en 62a, lid 1, aanhef, van de Vw 2000 eveneens worden begrepen "een land dat lid is van de Europese Unie dan wel voor de toepassing van de Verordening met een lidstaat van de Europese Unie is gelijk te stellen". Dit brengt met zich dat de in het besluit van 2 januari 2012 vervatte mededeling dat de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij Nederland binnen vier weken dient te verlaten een terugkeerbesluit in vorenbedoelde zin is. In zoverre bestaat dus geen grond voor het oordeel dat met de in het besluit van 24 februari 2012 aan de vreemdeling gedane mededeling de Europese Unie te verlaten een ander, verderstrekkend rechtsgevolg is ingetreden dan met het terugkeerbesluit van 2 januari 2012. Daarbij komt dat op 24 februari 2012 de reeds in het besluit van 2 januari 2012 gestelde vertrektermijn van vier weken was verstreken, zodat geen sprake is van een verkorting van die termijn. Ook in zoverre is de mededeling van 24 februari 2012 dus niet op rechtsgevolg gericht. (…) Hoewel, ten slotte, de hiervoor weergegeven passages uit de totstandkominggeschiedenis blijkens hun bewoordingen niet specifiek betrekking hebben op de situatie waarin de minister bij separaat besluit een inreisverbod uitvaardigt zonder dat een verblijfsprocedure aanhangig is, acht de Afdeling het, gelet op die totstandkominggeschiedenis en uit een oogpunt van doelmatige en snelle rechtsbescherming, aangewezen om aan te nemen dat tegen dat inreisverbod rechtstreeks beroep openstaat.-
De uitspraak op rechtspraak.nl