Rb. Den Haag 18 januari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9459

Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dient de vraag of de weigering om aan een vreemdeling in Nederland verblijf toe te staan, tot gevolg heeft dat het kind zijn aan art. 20 VWEU ontleende recht op het grondgebied van de Unie te verblijven, wordt ontzegd, te worden onderscheiden van de vraag of het in art. 8 EVRM vervatte recht op bescherming van het gezinsleven verweerder noodzaakt tot het toestaan van een verblijf van de vreemdeling hier te lande (zie de uitspraak van 20 december 2012, LJN: BY8239). Zoals de Rb. in haar uitspraak van 10 januari 2013 (LJN: BY8363) heeft overwogen, dient verweerder aan een vreemdeling, die rechtstreeks een verblijfsrecht ontleent aan art. 20 VWEU, een document als bedoeld in art. 9, lid 1 van de Vw 2000 af te geven. De door eiseres ingediende aanvraag strekt niet tot afgifte van een dergelijk document, maar tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder was dan ook niet gehouden te beoordelen of eiseres rechtstreeks aan art. 20 van de VWEU een verblijfsrecht ontleent.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen