ABRvS 10 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8060
Artikel 8 EVRM / belangenafweging / positieve verplichting De minister heeft terecht betoogd dat bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM meeweegt of op het moment dat het familie- en gezinsleven is aangegaan, al dan niet zekerheid bestond over de verblijfsaanspraken van de desbetreffende vreemdeling hier te lande. Aan de omstandigheid dat het familie- en gezinsleven is gecreëerd tijdens een periode van rechtmatig verblijf hangende een aanvraagprocedure om een verblijfsvergunning, komt, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in beginsel geen betekenis toe. Voor deze opvatting vindt de Afdeling steun in het arrest van het EHRM in de zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, JV 2006/90, waarin, voor zover thans van belang, omtrent de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM het volgende is overwogen: "Another important consideration will also be whether family life was created at a time when the persons involved were aware that the immigration status of one of them was such that the persistence of that family life within the host state would from the outset be precarious. The Court has previously held that where this is the case it is likely only to be in the most exceptional circumstances that de removal of the non-national family member will constitute a violation of Article 8 (…)." Voorts vindt de Afdeling daarvoor steun in het arrest van het EHRM in de zaak Narenji Haghighi tegen Nederland van 14 april 2009, nr. 38165/07, JV 2009/342, waarin ter zake van de belangenafweging, voor zover thans van belang, als volgt is overwogen: "The Court further observes that, when his presence in the Netherlands was tolerated while he was awaiting decisions on his applications for asylum, the applicant took part in Dutch society, formed a relationship and created a family there. However, (…) confronting the Dutch authorities with that family life as a fait accompli does not entail that those authorities are, as a result, under an obligation pursuant to Article 8 of the Convention to allow the applicant to settle in their country. The Court has previously held that, in general, persons in that situation have no entitlement to expect that a right of residence will be conferred upon them (…). It is, moreover, to be noted that the relationship relied on by the applicant was created at a time and developed during a period when the persons involved were aware that his immigration status was uncertain and that the persistence of that family life within the Netherlands was thus precarious." De staatssecretaris heeft in het kader van de belangenafweging derhalve gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de vreemdeling het familie- en gezinsleven is aangegaan en heeft geïntensiveerd gedurende een periode dat onzekerheid bestond over zijn verblijfsaanspraken in Nederland en heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat die omstandigheid voor rekening en risico van de vreemdeling dient te komen. Grief 1 slaagt derhalve. In paragraaf B2/10.2.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is, voor zover thans van belang, vermeld dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, in het zich daartoe lenende geval ook zal moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in een derde land kan worden uitgeoefend. Er is geen grond voor het oordeel dat dit onderdeel van het beleid, waarop de staatssecretaris mede zijn standpunt heeft gebaseerd, in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat sprake is van objectieve belemmeringen om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt voor het door hem genoemde derde land Guinee. De vreemdeling heeft, voor zijn vertrek naar Nederland, langdurig in Guinee verbleven en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem niet opnieuw verblijf zal worden toegestaan. Weliswaar hebben de partner en het kind van de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit, maar zoals de staatssecretaris in het besluit van 11 december 2009 heeft uiteengezet, bestaat hierin geen objectieve belemmering voor hen om met de vreemdeling in Guinee het familie- en gezinsleven uit te oefenen. Verder is niet gebleken van zodanig bijzondere individuele belangen van de partner en het kind dat van hen niet kan worden gevergd de vreemdeling te volgen naar Guinee. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat in de omstandigheid dat voor Guinee een negatief reisadvies geldt, op zichzelf onvoldoende grond wordt gezien om te oordelen dat sprake is van een objectieve belemmering voor het uitoefenen van het familie- en gezinsleven in Guinee. Reeds hierom heeft de staatssecretaris bij de belangenafweging terecht van betekenis geacht dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. De grieven 2 en 3 slagen in zoverre. Het geheel van de voor de te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden, hiervoor vermeld onder 2.5., geeft geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris, bij de fair balance die moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op hem geen positieve verplichting rust om de vreemdeling verblijf in Nederland toe te staan. Reeds hierom is het hoger beroep kennelijk gegrond. De grieven 2 en 3 behoeven voor het overige geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 december 2009, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, alsnog ongegrond verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl