Rb. Amsterdam 19 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4750
Toelaatbaarverklaring van vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS), en het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Neder¬land van een rechterlijke beslissing van de Superior Court of California, County of San Bernardino (Verenigde Staten van Amerika) van 11 augustus 2000, waarbij aan veroordeelde een vrij¬heids-benemende straf van 56 jaren tot levenslang (met de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling) is opgelegd. Met de officier van justitie en raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat aan veroordeelde een levenslange gevangenisstraf moet worden opgelegd, gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon van veroordeelde. De rechtbank wijst af het primaire verzoek tot schorsing onder voorwaarden van het bevel gevangenhouding. De rechtbank verklaart veroordeelde niet-ontvankelijk ten aanzien van het subsidiaire verzoek tot vaststelling dat de Nederlandse Staat is gehouden om zonder verdere vertraging een effectief en tijdig herbeoordelingsmechanisme voor veroordeelde te activeren dan wel vast te stellen dat veroordeelde versneld om gratie kan verzoeken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 47 Sr
- Artikel 57 Sr
- Artikel 289 Sr
- Artikel 18 WOTS
- Artikel 29 WOTS
- Artikel 31 WOTS
- Artikel 3 EVRM
- Artikel 2 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen
- Artikel 3 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen
- Artikel 6 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen
- Artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen
Aangehaalde uitspraken
- EHRM 21 april 2026, ECLI:CE:ECHR:2026:0421JUD002815718
- Hof 's-Hertogenbosch 4 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2138
- HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455
- Hof Amsterdam 4 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5021
- HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1326
- EHRM 26 april 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0426JUD001051110
- Rb. Amsterdam 14 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:132
- EHRM 9 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD006606909