Rb. Overijssel 27 juli 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:2987

Het zorgkantoor heeft de aanvraag van eiseres om haar op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen afgewezen, omdat zij zich bij een eerdere verstrekking niet aan de opgelegde verplichtingen heeft gehouden. Eiseres heeft niet bestreden dat bij de besteding van het pgb, dat voor het jaar 2020 aan eiseres was toegekend, niet alle daaraan verbonden verplichtingen zijn nageleefd. De aanstelling van een gewaarborgde hulp neemt niet weg dat eiseres zelf verantwoordelijk bleef voor de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het pgb en dat de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen voor haar rekening komen. Op grond van artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz verleent het zorgkantoor op aanvraag van de verzekerde en onverminderd het vierde en vijfde lid een persoonsgebonden budget waarmee de verzekerde in plaats van zorg in natura te ontvangen, zelf betalingen doet voor zorg. In het vijfde lid van dit artikel heeft de wetgever een (niet-limitatieve) opsomming gegeven wanneer het pgb moet worden geweigerd. Zoals hiervoor al is gezegd, is in het vijfde lid, aanhef en onder a, bepaald dat het pgb in ieder geval moet worden geweigerd als de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Deze bepaling is dwingend geformuleerd. De wettekst is duidelijk en laat geen ruimte om wel een pgb toe te kennen, indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb zich niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. De wettekst biedt geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de tekst van dit artikel ook geen ruimte voor het standpunt van eiseres dat het zorgkantoor, gelet op de MvT bij de Wlz, een aanvullende toets dient te verrichten bij de weigering van een pgb. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de toelichting in de MvT bij het oorspronkelijke artikel 3.3.3, derde lid van de Wlz, die de Wlz-uitvoerder de bevoegdheid gaf om een pgb te weigeren, van belang is voor het dwingend geformuleerde artikel 3.3.3. vijfde lid, onder a, van de Wlz. Hiervoor zijn geen aanwijzingen in de wetsgeschiedenis te vinden. In dat kader is nog relevant dat in de MvT ook nog expliciet is genoemd dat het zorgkantoor een pgb moet weigeren als de cliënt zich eerder niet aan plichten van pgb heeft gehouden. Evenmin zijn in de wetsgeschiedenis aanwijzingen te vinden om aan te nemen dat onder omstandigheden van artikel 3.3.3, vijfde lid van de Wlz, zou mogen worden afgeweken. Dit betekent dat artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz het zorgkantoor verplicht tot weigering van een pgb, indien de verzekerde zich bij een eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Gelet op de dwingende formulering van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a van de Wlz is er geen ruimte is voor toepassing van artikel 3:4, tweede lid van de Awb. Aangezien de Wlz een wet in formele zin is, kan artikel 3.3.3, vijfde lid, niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. In dit geval bestaat ook geen aanleiding voor de zogenoemde contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken