Rb. Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4255
WAMCA-procedure waarin de eisende stichting vordert voor recht te verklaren dat geneesmiddelenfabrikant AbbVie onrechtmatig heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van haar economische machtspositie door een te hoge prijs te vragen voor het geneesmiddel Humira in de periode waarvoor het middel octrooibescherming genoot. Deze rechtbank oordeelt in dit vonnis dat zij bevoegd is ten aanzien van de Amerikaanse gedaagde omdat die met de Nederlandse gedaagde een economische eenheid vormt bij de prijsbepaling van het Humira medicijn en het op de Nederlandse markt brengen van dat medicijn. De rechtbank is niet bevoegd ten aanzien van de Duitse gedaagde omdat onvoldoende is gebleken van samenhang tussen de vorderingen op de Nederlandse gedaagde en die op de Duitse gedaagde. De eisende stichting voldoet aan de wettelijke eisen voor een collectieve actie. De vorderingen ten behoeve van de achterban zijn te bundelen. Verder is eiseres representatief voor haar achterban en zijn de vorderingen voorgelegd aan de juiste rechter en zijn die vorderingen niet kennelijk ongegrond. De eisende stichting is dus ontvankelijk in deze WAMCA-procedure. Het door AbbVie ter discussie gestelde belang van eiseres (dan wel haar achterban) bij de vorderingen kan pas volledig aan de orde komen in de inhoudelijke fase van de procedure. Dan zal hierover worden beslist. De volgende fase is de inhoudelijke behandeling van de vorderingen van de eisende stichting.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 7 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 14 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 99 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1018b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1018c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1018d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1018e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1018f Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1018g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1018n Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1:10 BW1
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 3:303 BW3
- Artikel 3:305a BW3
- Artikel 2 EVRM
- Artikel 11 Europees Sociaal Handvest
- Artikel 12 IVESCR
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:745
- HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:965
- Rb. Amsterdam 7 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3499
- Rb. Den Haag 8 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2657
- HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:383
- HR 20 december 2019 (Urgenda), ECLI:NL:HR:2019:2006
- Conclusie A-G Hartlief 15 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1174
- HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566
- HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0345
- HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146
- HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0833
- Conclusie A-G Koopmans 13 november 1992, ECLI:NL:PHR:1992:35
- HR 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:536
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:445
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2015:335
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:449
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:314
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:37
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:800