Art. 1018e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Van rechtspleging in zaken betreffende een collectieve actie en collectieve schadeafwikkeling
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. De rechter wijst uit de eisers die overeenkomstig artikel 1018c of 1018d een collectieve vordering hebben ingesteld en voldoen aan de eisen voor ontvankelijkheid van artikel 305a, eerste tot en met derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de meest geschikte eiser aan als exclusieve belangenbehartiger, waarbij hij de volgende omstandigheden in aanmerking neemt: Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
a. de omvang van de groep personen voor wie de eiser opkomt;
b. de grootte van het door deze groep vertegenwoordigde financiële belang;
c. andere werkzaamheden die de eiser verricht voor de personen voor wie hij opkomt in of buiten rechte;
d. eerdere door de eiser verrichte werkzaamheden of ingestelde collectieve vorderingen.
2. De rechter beoordeelt daarnaast wat de collectieve vordering precies inhoudt, voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt en of de aan een bepaalde plaats gebonden aard van de collectieve vordering aanleiding geeft voor behandeling van de zaak bij een ander gerecht.
3. De eiser die als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, treedt in deze procedure op voor de belangen van alle personen in de nauw omschreven groep, bedoeld in het tweede lid, en als vertegenwoordiger van de niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen eisers. De niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen eisers blijven partij in de procedure. De exclusieve belangenbehartiger verricht de proceshandelingen. De rechter kan bepalen dat ook de niet aangewezen eisers proceshandelingen mogen verrichten.
4. Als de aard van de collectieve vordering of van de eisers of de belangen van de personen voor wie zij opkomen daartoe aanleiding geven, kan de rechter ervoor kiezen om verschillende exclusieve belangenbehartigers in een collectieve actie aan te wijzen.
5. De uitspraak ingevolge dit artikel wordt door de exclusieve belangenbehartiger aangetekend in het in artikel 1018c, tweede lid, bedoelde register.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Amsterdam 18 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1651
- Rb. Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9088
- Rb. Amsterdam 27 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8425
- Rb. Amsterdam 22 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3586
- Rb. Den Haag 20 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14036
- Rb. Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:745
- Rb. Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4264
- Rb. Amsterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8330
- Rb. Amsterdam 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6694
- HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:321
- HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1534
- Hof Den Haag 5 april 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1316
- Rb. Rotterdam 13 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11322
- Rb. Midden-Nederland 17 juli 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4106
- Rb. Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17145
- Rb. Amsterdam 7 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3499
- Conclusie A-G de Bock 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:129
- Hof Amsterdam 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2666
- Rb. Den Haag 8 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2657
- Rb. Den Haag 6 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14320