Rb. Amsterdam 15 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1803

Pools overleveringsverzoek ten behoeve van executie. Inwerkingtreding Herimplementatie met ingang van 1 april 2021. Wijziging artikel 7 OLW en artikel 12 OLW. Een kaderbesluitconforme uitleg van het gewijzigde artikel 7 OLW brengt mee dat lid 1 een facultatieve weigeringsgrond bevat met betrekking tot het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht van een zogenoemd niet-lijstfeit.[1] Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. De rechtbank ziet in de onderhavige situatie aanleiding om van de weigering af te zien, omdat zij van oordeel is dat onvoldoende aanleiding voor weigering bestaat. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft – het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen andere onderdanen van Polen – en dat de overlevering toch al toelaatbaar is voor de tenuitvoerlegging van andere in Polen opgelegde vrijheidsstraffen en dat de gezamenlijke afdoening van de openstaande vrijheidsstraffen ook in het belang van de opgeëiste persoon is. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 12 OLW te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, alsmede van de omstandigheid dat een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Hij heeft immers twee dagen in voorarrest doorgebracht, naar blijkt uit de genoemde reststraf. De rechtbank acht het in dat licht niet aannemelijk dat dat hij niet in kennis is gesteld van de verdenking jegens hem, mede in aanmerking genomen dat de opgeëiste persoon tijdens zijn voorgeleiding in het kader van de overleveringsprocedure desgevraagd heeft meegedeeld dat hij op advies van zijn advocaat geen vragen over vonnis III wilde beantwoorden. Daarnaast heeft hij in het kader van de pre-trial procedure op 22 augustus 2014 zijn adres aan de Poolse autoriteiten moeten verstrekken en is hem meegedeeld wat, in het kader van de procedure, de juridische gevolgen zouden zijn als hij van adres zou wisselen zonder de autoriteiten hiervan op de hoogte te stellen. De rechtbank neemt in aanmerking dat de opgeëiste persoon tijdens zijn voorgeleiding in het kader van de overleveringsprocedure desgevraagd heeft meegedeeld dat hij op advies van zijn advocaat geen vragen over het proces dat tot vonnis III heeft geleid wilde beantwoorden. Ook overigens beschikt zij niet over concrete aanknopingspunten die afbreuk zouden kunnen doen aan de conclusie dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht en van de strafprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom in de onderhavige situatie worden vastgesteld dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon impliceert, omdat hij door desondanks naar Nederland te vertrekken uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken