Rb. Amsterdam 2 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6659

Pools EAB ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen. De opgeëiste persoon kan met een Nederlander worden gelijkgesteld en naar Nederlands recht kon rechtsmacht worden uitgeoefend. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. De opgeëiste persoon is in Polen veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf. Wegens het overtreden van de voorwaarden is de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf bevolen. Op het daartegen door de opgeëiste persoon ingediende hoger beroep is op 3 december 2002 beslist. Ingevolge artikel 6:1:23, eerste lid, Sv startte de tenuitvoerleggingstermijn daarom op 4 december 2002. Op 5 juli 2004 is aan de opgeëiste persoon ‘clemency’ verleend. Dit betrof een voorwaardelijke invrijheidsstelling met een proeftijd van 3 jaar. Op 11 december 2006 is de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarden hield. Dit betekent dat ingevolge artikel 6:1:23, tweede lid, Sv op 12 december 2006 een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn is begonnen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de tenuitvoerleggingstermijn met ingang van 12 december 2022 zal verstrijken. Dit heeft tot gevolg dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW ten aanzien van vonnis A niet aan de orde is. Ten aanzien van vonnis B, een verzamelvonnis waaraan drie vonnissen ten grondslag liggen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag wanneer de tenuitvoerleggingstermijn is aangevangen. De Nederlandse, strafvorderlijke, wetgeving biedt geen aanknopingspunten voor deze kwestie omdat het Nederlandse strafrecht geen ‘verzamelvonnis’ - zoals in deze zaak aan de orde - kent. Tot aan het verzamelvonnis waren de onderliggende vonnissen voor tenuitvoerlegging vatbaar. Na het wijzen van het verzamelvonnis is dit echter niet meer het geval. Het verzamelvonnis van 18 april 2016 ligt aan het EAB ten grondslag en overlevering wordt daarom verzocht ten behoeve van de executie van de in het verzamelvonnis opgelegde vrijheidsstraf. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerleggingstermijn van dit (verzamel)vonnis in het kader van de beoordeling van de weigeringsgrond ex artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW, aan de rechtbank ter toetsing voorligt. Nu in artikel 6:1:23, eerste lid, Sv is bepaald, dat de tenuitvoerleggingstermijn ingaat op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd, is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerleggingstermijn op 5 april 2016 is gestart. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW is niet van toepassing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken