Rb. Amsterdam 23 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:311

De veroordeelde is in 2015 in Albanië veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens o.a. de moord op een politiefunctionaris. De veroordeelde is in 2016 in Nederland aangehouden. Zijn uitlevering naar Albanië heeft de voorzieningenrechter in Den Haag zowel in 2018 als in 2019 verboden. Het Albanese ministerie van justitie heeft verzocht om het strafvonnis in Nederland ten uitvoer te leggen. De rechtbank oordeelt dat de weigeringsgrond van artikel 4 WOTS niet kan worden toegepast omdat het toepasselijke verdrag (EVIG) daaraan in de weg staat. Ondanks een zorgwekkend beeld van de rechtspraak in Albanië, is volgens de rechtbank niet voldaan aan het strenge criterium van o.a. een flagrant denial of justice. De facultatieve weigeringsgrond van artikel 6 (i) EVIG in verbinding met artikel 5 (e) EVIG is van toepassing. Op grond van artikel 30, eerste lid, onder d, WOTS dient daarom een afweging te worden gemaakt van alle betrokken belangen om te bezien of een beslissing tot tenuitvoerlegging in Nederland in redelijkheid kan worden genomen. In een tussenuitspraak van 30 juli 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat – gelet op de belangen die niet zozeer raken aan de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in Nederland als wel aan de wenselijkheid daarvan, het op de weg van de Minister ligt om die belangen tegen elkaar af te wegen en in zoverre te oordelen over de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging. Hierbij speelt het volgende een rol. De veroordeelde heeft geen enkele binding met Nederland, weigering van de tenuitvoerlegging leidt niet automatisch tot straffeloosheid, binnen de rechtspraak in Albanië is sprake van corruptie, in een procedure van de veroordeelde bij het EHRM heeft het EHRM vragen aan Albanië vragen gesteld over het strafproces in de zaak van de veroordeelde. De Minister heeft daarop meegedeeld dat het mogelijk en ook wenselijk is dat het vonnis in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. Hoewel de Minister niet expliciet is ingegaan op alle door de rechtbank genoemde belangen, houdt de rechtbank het ervoor dat de Minister alle hem voorgelegde belangen heeft afgewogen. De rechtbank kan niet tot het oordeel komen dat geen minister in redelijkheid tot een dergelijke beslissing had kunnen komen, gelet op het verplichtende karakter van het EVIG en de beperkte beoordelingsruimte van de rechtbank op grond van het EVIG en de WOTS. De tenuitvoerlegging van de in Albanië opgelegde straf wordt daarom toelaatbaar verklaard. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 18 jaren, met aftrek van voorarrest en detentie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken