Rb. Rotterdam 5 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:1207

WOTS: Omzetting straf Moldavisch vonnis. Uitspraak na terugwijzing door de Hoge Raad. De rechtbank “moet” van de Hoge Raad uitgaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter zowel wat betreft haar inhoud als haar wijze van totstandkoming, tenzij sprake is van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging. Een dergelijke flagrante schending wordt niet snel door de Hoge Raad worden aangenomen. Ondanks processuele missers, geen flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging in de Moldavische strafzaak. Ook geen strijd met de grondbeginselen van de Nederlandse rechtsorde. Toelaatbare tenuitvoerlegging van de in Moldavië opgelegde gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden met aftrek voor ontuchtige handelingen met een persoon beneden de leeftijd van zestien jaren en voor gooming begaan tegen een kind. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest en uitleveringsdetentie, gelet op de duur van de procedure, op de vormverzuimen bij de behandeling ter zitting en op de slechte omstandigheden waaronder de veroordeelde in Moldavië gedetineerd heeft gezeten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken