Rb. Amsterdam 11 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9965
Luchtvaartkartel. Verloop procedures van litigation vehicles Equilib en SCC tot nu toe. Principiële beslissing rechtbank (i) welke partij(en) op dit moment gehouden is (zijn) tot het overleggen van gegevens en/of documenten en (ii) welke gegevens/documenten dat zouden moeten zijn. Nu thans de kern van de zaak aan de orde is – de (aan Equilib en SCC gecedeerde) schadevergoedingsvorderingen – ligt het in de rede om het Nederlands procesrecht (weer) te volgen, te beginnen met de regels over stelplicht en bewijslast, neergelegd in artikelen 149 en 150 Rv. Geen collectieve actie door een belangenorganisatie op de voet van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een litigation vehicle als zodanig heeft geen (bijzondere) positie in het Nederlands procesrecht. Equilib en SCC zullen per shipper/cedent aan de stelplicht zullen moeten voldoen. Thans is het moment aangebroken dat Equilib en SCC de (door de shippers aan hen gecedeerde) vorderingen nader met stukken zullen moeten onderbouwen, althans relevante data betreffende de aan de vorderingen ten grondslag liggende vluchten/transacties in het geding moeten brengen. Het is aan Equilib en SCC om aan deze onderbouwing van hun vorderingen nader invulling te geven. Stelplicht van Equilib en SCC strekt zich tevens uit tot de – door hen gestelde en aan hun vorderingen ten grondslag liggende – upstream pass on (de stelling dat de freight forwarders de toeslagen (volledig) aan de shippers hebben doorberekend). Op de stelplicht en bewijslast ten aanzien van deze upstream pass on is van toepassing (het bewijsvermoeden van) artikel 6:139q BW, welk artikel anticiperend moet worden toegepast. Verwijzing naar de rol voor aktes aan de zijde van Equilib en SCC.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 149 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 612 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:139q BW6
- Artikel 4 Wcod
- Artikel 53 EER
- Artikel 101 VWEU
- Artikel 102 VWEU
- Artikel 104 VWEU
- Artikel 105 VWEU
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Rotterdam 29 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4441
- Rb. Amsterdam 15 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3574
- Rb. Amsterdam 1 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3392
- Rb. Amsterdam 1 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3393
- Rb. Amsterdam 1 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3394
- Hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1060
- Rb. Amsterdam 13 september 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6607
- Rb. Amsterdam 2 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5512
- Rb. Amsterdam 12 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2841
- HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483
- HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1054
- Rb. Amsterdam 25 maart 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:1778
- Rb. Amsterdam 25 maart 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:1780
- Hof Amsterdam 24 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3013
- Rb. Amsterdam 7 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV8444
- HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162