Rb. Zeeland-West-Brabant 29 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4928

Artikel 8:15-8:18 Awb. De wrakingskamer van de rechtbank heeft, in een andere procedure dan de onderhavige, een wrakingsverbod opgelegd aan gemachtigde voor bepaalde gronden. In onderhavige procedure passeert de rechtbank de wrakingsverzoeken van gemachtigde op basis van die eerdere beslissing van de wrakingskamer, gelet op de aangevoerde gronden van de wrakingsverzoeken. Voor het geval de beslissing van de wrakingskamer toch niet als zelfstandige grondslag kan dienen voor de beslissingen om in onderhavige zaken de wrakingsverzoeken te passeren, is de rechtbank van oordeel dat de wrakingverzoeken kunnen worden gepasseerd omdat geen sprake is van een wrakingsverzoek in de zin van de wet, gelet op de aangevoerde gronden. De rechtbank is van oordeel dat zij zelf – en niet de wrakingskamer – die beslissing kan nemen omdat er sprake is van ‘uitzonderlijke omstandigheden’ als bedoeld in een arrest van de Hoge Raad. Inhoudelijk gaat het geschil over twee rentebeschikkingen, die in beroep in stand blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken