Conclusie A-G Ettema 31 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1439
De zaak van belanghebbende betreft één van de zes proefprocedures die in het kader van massaal bezwaar worden gevoerd. Bij deze conclusie behoort een gemeenschappelijke bijlage. In het besluit van 26 juni 2015, nr. BLKB 2015/903M, Stcrt. 2015, 18400 heeft de staatssecretaris van Financiën vermeld dat het in het massaal bezwaar gaat om de volgende rechtsvraag: “Is de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001, op spaarsaldi naar haar aard in strijd met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last?” In voornoemd besluit is tevens het volgende opgemerkt: “Het gaat hierbij alleen om de vraag of de box 3 heffing op spaarsaldi zodanig is dat deze op zichzelf gezien in strijd zou komen met artikel 1, eerste Protocol bij het EVRM. De persoonlijke en individuele omstandigheden van de belastingplichtige spelen daarbij geen rol. De aanleiding tot de bezwaarschriften is een oproep van de Bond voor Belastingbetalers om bezwaar te maken tegen het vermeende te hoog vastgestelde forfaitair rendement in box 3 voor het voordeel uit sparen.” De Hoge Raad heeft in HR BNB 2015/174 en HR BNB 2016/177 de volgende toets geformuleerd om te bezien of de forfaitaire vermogensrendementsheffing op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP: Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last. In elk van de gevoerde proefprocedures, zo ook in het onderhavige geval, is in geschil of bovenstaande toets door het Hof juist is uitgelegd. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft vooropgesteld, mede gelet op het arrest HR BNB 2018/19, dat geen sprake kan zijn van een schending van artikel 1 van het EP op regelniveau indien het rendement op één bepaalde bezitting - zoals het rendement op spaarsaldi - structureel lager is dan 4%. Het Hof overweegt voorts dat voor de vraag of het rendement van 4% haalbaar is, gekeken dient te worden naar het rendement op het totale box 3-vermogen, en noemt hierbij als voorbeelden spaargeld, aandelen, obligaties en onroerende zaken. Volgens het Hof heeft belanghebbende gesteld noch aannemelijk gemaakt dat een rendement van 4% op het totale box 3-vermogen niet meer haalbaar is. Zoals vermeld in de gemeenschappelijke bijlage constateert het Hof volgens A-G Ettema terecht dat de rechtsvraag die in het kader van massaal bezwaar is geformuleerd beperkt is en ontkennend moet worden beantwoord. Wel meent de A-G dat het Hof de haalbaarheidstoets van de Hoge Raad ten onrechte zo heeft verwoord dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat voor een lange reeks van jaren een rendement van 4% niet meer haalbaar is. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft drie cassatiemiddelen voorgesteld. Met het eerste cassatiemiddel voert belanghebbende aan dat het Hof belanghebbendes standpunt te beperkt heeft weergegeven. Het oordeel kan dan per definitie niet juist zijn, aldus belanghebbende. Het tweede cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat omtrent de onhaalbaarheid van het 4%-rendement niets is gesteld. Belanghebbende meent dat niet alleen is gesteld maar ook aannemelijk is gemaakt dat het rendement van 4% niet haalbaar is gebleken. Met het derde cassatiemiddel komt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat de vermogensrendementsheffing op spaarsaldi op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP. Het Hof vermeldt in punt 3.1 van zijn uitspraak dat in geschil is of de vermogensrendementsheffing op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP. Het Hof heeft het geschil ruimer opgevat dan de rechtsvraag zoals die in het kader van het massaal bezwaar is geformuleerd. In het kader van het massaal bezwaar is het geschil immers beperkt tot de vraag of de vermogensrendementsheffing op spaarsaldi in strijd is met artikel 1 EP. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat in het kader van massaal bezwaar, behalve accessoire kwesties zoals het verzoek om een proceskostenvergoeding, geen andere punten naar voren kunnen komen dan de in dat kader geformuleerde rechtsvraag. Zo bezien, is het Hof in de visie van de A-G buiten de rechtsstrijd getreden door het geschil ruimer op te vatten. De door het Hof ruimer geformuleerde rechtsvraag zou echter ook zo kunnen worden opgevat dat een strijd van de vermogensrendementsheffing met artikel 1 EP op regelniveau automatisch strijd van de vermogensrendementsheffing op spaarsaldi oplevert met artikel 1 EP op regelniveau. Zo bezien, was er voor het Hof toch ruimte om de rechtsvraag ruimer te formuleren. Afhankelijk van hoe de Hoge Raad hiertegen aan zal kijken, zal het tweede cassatiemiddel al dan niet slagen. De overige middelen kunnen naar de mening van de A-G niet slagen. De A-G concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8966
- HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2517
- Hof 's-Hertogenbosch 2 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2511
- Rb. Noord-Nederland 19 januari 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:153
- HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129
- Conclusie 4 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:41
- HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812
- HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1523
- EHRM 4 januari 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0104DEC002583405
- EHRM 19 juni 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0619JUD003501497