Rb. Den Haag 19 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14134
Eiser is naar Nederland geëmigreerd en heeft zich op 16 januari 2017 ingeschreven in de Basisregistratie Personen ingeschreven. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2017 op het juiste bedrag is vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat ingevolge artikel 7.7, vierde lid, van de Wet IB 2001 voor de vaststelling van het voordeel uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van de rendementsgrondslag in Nederland aan het begin van het kalenderjaar en het voordeel vervolgens naar tijdsgelang wordt herrekend. Door toepassing van dit artikel wordt voor de bepaling van de rendementsgrondslag als peildatum 1 januari 2017 gehanteerd. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat alle op 1 januari 2017 aanwezige bezittingen en schulden in de rendementsgrondslag betrokken dienen te worden. Met betrekking tot het aan eiser geboden rechtsherstel overeenkomstig het Besluit Rechtsherstel box 3 overweegt de rechtbank dat eiser met het door hem overgelegde overzicht aannemelijk maakt dat het werkelijk rendement dat hij behaald heeft op zijn beleggingen niet meer dan € 2.933,87 bedraagt. Verweerder heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl