Conclusie A-G IJzerman 2 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:316

A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of door het UWV een toezegging is gedaan over het niet verhalen op de werkgever van een WGA-uitkering, waaraan de Inspecteur gebonden is bij zijn latere premievaststelling. Het gaat om het beroep in cassatie van [X] B.V., belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 27 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2607. Belanghebbende heeft een voormalige werknemer na een ziekteperiode ontslagen, vanwege het verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. Het UWV, dat belast is met de toekenning van uitkeringen, heeft aan de werknemer een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de WIA) toegekend. Het betreft een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering). Deze uitkering is ingegaan op 15 januari 2013. Belanghebbende heeft van het UWV een kopie van het toekenningsbesluit ontvangen en heeft naar aanleiding daarvan bezwaar gemaakt tegen het toekenningsbesluit. In haar bezwaarschrift heeft belanghebbende gesteld dat zij niet wil dat de kosten van de uitkering op haar worden verhaald. Een medewerker van het UWV heeft naar aanleiding van dit bezwaar telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. Daarbij is meegedeeld dat de uitkering niet op haar zou worden verhaald. Vervolgens heeft het UWV aan belanghebbende per e-mail nogmaals te kennen gegeven dat de uitkering niet verhaald wordt op de werkgever. Daarop heeft belanghebbende haar bezwaar tegen het toekenningsbesluit ingetrokken. De Inspecteur, die is belast met de premieheffing, heeft met dagtekening 23 november 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2016 een beschikking loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage Werkhervattingskas (Whk) gegeven. Het gedifferentieerde premiepercentage Whk is vastgesteld op 0,23%. Bij de berekening van het te hanteren premiepercentage heeft de Inspecteur de door het UWV aan de werknemer in 2014 betaalde WGA-uitkering in aanmerking genomen. Zonder die uitkeringslast zou de premie 0,07% zijn. Na tevergeefs bezwaar tegen die premievaststelling bij de Inspecteur is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. Daar spitste het geschil zich toe op de vraag of het UWV het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de WGA-uitkering ook in het kader van de Whk niet (effectief) aan belanghebbende zou worden toegerekend, en of dat vertrouwen de Inspecteur dan ook bindt. De Rechtbank heeft belanghebbende in het gelijk gesteld. Het Hof heeft echter het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep gegrond verklaard. Het heeft geoordeeld dat de uitlatingen die namens het UWV zijn gedaan niet kunnen worden opgevat als een toezegging waaraan belanghebbende het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de aan de werknemer toegekende WGA-uitkering niet zou doorwerken in de hoogte van het ten laste van belanghebbende komende gedifferentieerde premiepercentage Whk, als vast te stellen door de Inspecteur. Het Hof heeft daartoe overwogen dat er tussen belanghebbende en het UWV in het geheel niet is gesproken over de premieheffing, laat staan over de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk. Het Hof heeft verder geoordeeld dat belanghebbende uit de uitlatingen van het UWV redelijkerwijs ook niet heeft mogen opmaken dat het wel ging over de premieheffing dan wel over het gedifferentieerde premiepercentage Whk. Het Hof is daarom tot de slotsom gekomen dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt. Naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende begint de A-G met de klacht dat het Hof ten onrechte tot het oordeel is gekomen, dat de door het UWV gedane uitlatingen niet aan de Inspecteur kunnen worden toegerekend. Deze klacht treft volgens de A-G doel. Gezien de wettelijke taken die in het kader van de WIA en de WGA-uitkeringen zijn toegekend aan het UWV, acht de A-G het mogelijk dat uitlatingen van het UWV jegens belanghebbende gedaan, worden toegerekend aan de Inspecteur. Daarbij lijkt het de A-G van bijzonder belang dat aan het UWV hier op grond van de wet een beslissende rol toekomt ter voorbereiding van de door de Inspecteur elk jaar bij beschikking vast te stellen gedifferentieerde premie Whk. Die wordt door de Inspecteur namelijk telkens vastgesteld op basis van door het UWV aangeleverde gegevens. Vervolgens komt de A-G toe aan de vraag of de uitlatingen van het UWV feitelijk zijn op te vatten als toezeggingen. Volgens de A-G is dat het geval. De A-G meent dat de van de kant van het UWV gedane uitlatingen zijn aan te merken als een, op basis van voldoende relevante informatie gegeven, bewuste standpuntbepaling van het UWV jegens belanghebbende, waaraan de Inspecteur, in het licht van het wettelijk voorziene samenspel, gebonden is bij de latere premievaststelling. Dat moet, naar de A-G meent, betekenen dat de aan de werknemer toegekende uitkering op geen enkele wijze mag doorwerken in de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk ten laste van belanghebbende. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken