Rb. Zeeland-West-Brabant 16 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2660

Naheffingsaanslag loonheffingen, artikel 32bb van de Wet op de Loonbelasting 1964 (pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding). In geschil is of de gericht vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen, als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel a tot en met i, van de Wet LB (wettekst 2016 tot en met 2019) (gerichte vrijstellingen), behoren tot het loon in de zin van artikel 32bb van de Wet LB. Naar het oordeel van de rechtbank leidt een strikt grammaticale uitleg van het begrip loon in de zin van artikel 32bb van de Wet LB in samenhang bezien met het generieke karakter en de doelstelling van voornoemde bepaling – zoals de inspecteur voorstaat – tot de conclusie dat sinds de invoering van de werkkostenregeling onder loon in de zin van artikel 32bb van de Wet LB mede de gerichte vrijstellingen moeten worden begrepen. Alles afwegende is de rechtbank niettemin van oordeel dat een wetshistorische in samenhang met een wetssystematische opvatting van het loonbegrip in de zin van artikel 32bb van de Wet LB dient te prevaleren boven een strikt grammaticale opvatting van het loonbegrip. Dat betekent dat het loonbegrip in de zin van artikel 32bb van de Wet LB naar het oordeel van de rechtbank zo moet worden uitgelegd dat de gerichte vrijstellingen daar niet onder zijn begrepen. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen dient te worden verminderd tot € 4.744.659.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen