Conclusie A-G Pauwels 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:197
Art. 13 en 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 (Basisverordening); art. 14(8) en 16 Verordening (EG) nr. 987/2009 (Toepassingsverordening); art. 53 AOW. Beperkte beoordelingsbevoegdheid Hoge Raad van CRvB-uitspraken. Uitleg begrip ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden verrichten’; welke omstandigheden mogen worden meegewogen? Prejudiciële vragen aan HvJ? Deze zaak gaat over de verzekeringsplicht van belanghebbende in de periode 4 februari 2016 tot en met 31 december 2016. In die periode woont belanghebbende in Nederland, is hij in loondienst van een Liechtensteinse vennootschap, werkt hij in dat kader op een binnenvaartschip dat in Nederland is geregistreerd en waarvan de exploitant en eigenaar een scheepvaartbedrijf is dat in Nederland is gevestigd en geregistreerd, en verricht hij zijn werkzaamheden in verschillende EU-lidstaten. De CRvB oordeelt dat de Svb terecht het besluit handhaaft waarbij voorlopig is vastgesteld dat op belanghebbende de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. A-G Pauwels gaat eerst in op de vraag in hoeverre de Hoge Raad de middelen mag beoordelen gelet op zijn beperkte beoordelingsbevoegdheid, nu de bestreden oordelen niet de nationale regelgeving over de verzekeringsplicht, maar de Basisverordening en de Toepassingsverordening betreffen. Het criterium is te vinden in HR BNB 2014/92. De A-G beargumenteert dat de beoordelingsbevoegdheid niet zonder meer in abstracto kan worden bepaald aan de hand van alleen de Unierechtelijke bepaling, maar dat ook relevant is wat volgens de cassatieklacht de betekenis is van die bepaling. Een en ander betekent dat alleen het eerste cassatiemiddel inhoudelijk beoordeeld kan worden. Het tweede cassatiemiddel kan dat niet omdat het betrekking heeft op art. 16 Basisverordening (HR BNB 2021/134); ook de klacht over het evenredigheidsbeginsel valt buiten de beoordelingsbevoegdheid. Het derde middel betreffende procedureregels in de Toepassingsverordening kan evenmin inhoudelijk beoordeeld worden. Het enkele feit dat een procedureregel betrekking heeft op de toepassing van de aanwijsregels, brengt nog niet mee dat een klacht over zo’n procedureregel binnen de beperkte beoordelingsbevoegdheid valt. De inhoud van de klacht leidt daar evenmin toe. Het eerste middel betreft het oordeel van de CRvB over de toepassing van art. 14(8) Toepassingsverordening. De CRvB heeft vastgesteld dat belanghebbende 22% van zijn arbeidstijd werkzaamheden in Nederland verricht. Dit aandeel van minder dan 25% van de arbeidstijd geldt op grond van art. 14(8) Toepassingsverordening als indicatie dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in Nederland wordt verricht. De CRvB oordeelt dat belanghebbende niettemin wel een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in Nederland, waarbij de CRvB in aanmerking neemt dat (i) het schip in 2013 ook 22% en in 2014 24% in Nederland heeft gevaren, (ii) belanghebbende woont in Nederland, (iii) het schip in Nederland is geregistreerd en (iv) de eigenaar en de exploitant van het schip in Nederland zijn gevestigd. De A-G beargumenteert dat hoewel het oordeel van de CRvB een waardering van de omstandigheden van het geval betreft en de Hoge Raad een beperkte beoordelingsbevoegdheid heeft, de Hoge Raad zou moeten toetsen of de CRvB de relevante omstandigheden bij zijn oordeel heeft betrokken. De A-G onderzoekt wat relevante omstandigheden zouden kunnen zijn, naast de indicatieve criteria ‘arbeidstijd en/of bezoldiging’, voor de algemene beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de betrokken lidstaat wordt verricht. De A-G heeft daarvoor in diverse (rechts)bronnen weinig aanknopingspunten kunnen vinden. Gelet op wat beoordeeld moet worden, zou het volgens de A-G moeten gaan om omstandigheden (a) die direct verband houden met het verrichten van werkzaamheden, (b) die geschikt zijn om een aanwijzing te geven waar de werkzaamheden worden verricht, en (c) die geschikt zijn om daaraan kwantitatieve conclusies te verbinden in termen van relatieve werkzaamheidaanwezigheid in een lidstaat. Uitgaande daarvan, meent de A-G dat de CRvB de omstandigheden (i)-(iv) ten onrechte heeft meegewogen. Aangezien het echter gaat om een met de toepassing verweven uitleg van art. 14(8) Toepassingsverordening, geeft de A-G de Hoge Raad in overweging om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Arnhem-Leeuwarden 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:672
- HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26
- HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1830
- HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1513
- Conclusie A-G Wattel 27 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:904
- Conclusie A-G Wattel 27 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:931
- CRvB 19 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1239
- CRvB 19 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1240
- Conclusie A-G Wattel 23 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1225
- Rb. Zeeland-West-Brabant 17 december 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:6460
- Rb. Noord-Nederland 7 oktober 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4358
- HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1026
- CRvB 22 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:951
- Conclusie A-G Wattel 7 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:393
- Rb. Midden-Nederland 16 maart 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1126
- CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609
- CRvB 19 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4217
- Hof Den Haag 27 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3400
- Hof Den Haag 26 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3767
- CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817