CRvB 19 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1240
Gelet op 4.7 heeft appellant op het schip [naam schip] in de periode in geding 22% van zijn in aanmerking te nemen werkzaamheden in Nederland verricht. Uit 4.6 volgt dat een werknemer die minder dan 25% in de lidstaat van zijn woonplaats werkt, toch geacht mag worden een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden te verrichten in zijn woonstaat indien er voldoende overige omstandigheden zijn die daarop duiden. Naarmate een werknemer minder werkt in de lidstaat van zijn woonplaats, zullen hiervoor meer of zwaarwegender overige omstandigheden aannemelijk moeten zijn. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb in het bestreden besluit op toereikende gronden aangenomen dat appellant een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in zijn woonstaat Nederland. Uit 4.7 tot en met 4.9 volgt dat appellant tijdens de bezwaarprocedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij het besluit van 8 november 2019 ten onrechte de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving voorlopig op hem van toepassing is verklaard. Het meningsverschil tussen de bevoegde organen van Nederland en Liechtenstein bleef derhalve bestaan. Reeds om die reden moest de Svb ook na de heroverweging in bezwaar de Nederlandse wetgeving voorlopig als toepasselijk aanwijzen. Bij het bestreden besluit is het besluit van 8 november 2019 dan ook terecht in stand gelaten, zij het dat hieraan niet expliciet (mede) artikel 6 van de Toepassingsverordening ten grondslag is gelegd. Appellant heeft er terecht op gewezen dat de Svb de Unierechtelijke procedurevoorschriften niet op een toereikende wijze in acht heeft genomen. Het betreffende Unierecht verbindt echter geen rechtsgevolgen aan het verzuim van een bevoegd orgaan om onverwijld te beslissen. Het bestreden besluit betreft noch de (analoge) toepassing van artikel 73 van de Toepassingsverordening, noch het sluiten van een bijzondere overeenkomst onder toepassing van artikel 16 van de Basisverordening. Het verzoek van appellant om toepassing van deze bepalingen gaat de grenzen van dit geding te buiten. Verder kan in deze fase niet worden vastgesteld dat de gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn ten opzichte van het hiermee te bereiken resultaat. Gelet op de overwegingen heeft de Svb in het bestreden besluit terecht de vaststelling van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving gehandhaafd. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl