CRvB 19 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1239
Conclusie. Uit 4.4 tot en met 4.13 volgt dat appellanten tijdens de bezwaarprocedure onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat bij de besluiten van 8 november 2019 ten onrechte de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving voorlopig op hen van toepassing is verklaard. Het meningsverschil tussen de bevoegde organen van Nederland en Liechtenstein bleef derhalve bestaan. Reeds om die reden moest de Svb ook na de heroverweging in bezwaar de Nederlandse wetgeving voorlopig als toepasselijk aanwijzen. Bij de bestreden besluiten zijn de besluiten van 8 november 2019 dan ook terecht in stand gelaten, zij het dat hieraan niet expliciet (mede) artikel 6 van de Toepassingsverordening ten grondslag is gelegd. In de aangevallen uitspraken zijn de beroepen terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraken zullen daarom worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl