Conclusie A-G Wattel 27 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:991
Neemt de remittance-bepaling in art. 2(5) en/of de antimisbruikbepaling in art. 30 Verdrag NL-Malta de verdragsvoordelen weg voor een BV die in Malta non-domiciled resident is met non remitted (niet-Nederlandse) vermogenswinst en Duitse handelswinst? Verbiedt EU-recht Nederland om art. 30 NL-MT toe te passen? Doet deelname door belastingrechters aan een conferentie met een spreker van de CCB van de fiscus twijfel rijzen aan hun onpartijdigheid? Feiten: de belanghebbende is naar Nederlands recht opgericht. Haar zetel is op 1 december 2011 verplaatst naar Malta. Zij werd in 2012-2014 feitelijk op Malta geleid. Haar aandelen worden sinds 30 december 2011 gehouden door een Belgische CV waarin [A] voor 99,99% is gerechtigd en een ander voor 0,01%. [A] is op 1 januari 2012 geëmigreerd naar Frankrijk. Voor 2012 t/m 2014 wil de belanghebbende de objectvrijstelling van art. 15e Wet Vpb voor resp. € 235.453, € 1.095.873 en € 483.077 aan Zwitserse vermogenswinsten c.q. Duitse handelswinst. De belanghebbende wordt in Malta als non-domiciled resident aangemerkt. Zij heeft voor 2012 t/m 2014 in Malta buitenlands inkomen aangegeven dat niet naar Malta is overgemaakt (income not remitted). Voor 2013 heeft zij in Malta € 1.007.928 Duitse handelswinst aangegeven als buitenlands inkomen dat (wel) belast is Malta. Zij heeft eveneens in 2013 een dividend ad € 1.008.275 gedeclareerd. Na heffing van Maltese belasting is netto € 655.379 uitgekeerd aan de CV, die op basis van een Maltese teruggaafregeling in 2015 € 302.478 (6/7e deel van de geheven belasting) heeft teruggekregen. De Inspecteur heeft in 2012 t/m 2014 de objectvrijstelling geweigerd. In geschil is of de aanslagen Vpb 2012-2014 juist zijn vastgesteld. Vanaf de cassatiefase gaat het erom of (i) de remittancebepaling in art. 2(5) NL-MT Nederlandse heffing over belanghebbendes Zwiterse vermogenswinsten toelaat, (ii) art. 30 NL-MT objectvrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting uitsluit en (iii) of de raadsheren van het Hof zich hadden moeten verschonen in verband met schijn van partijdigheid. De Rechtbank Noord-Nederland achtte art. 2(5) NL-MT van toepassing op belanghebbendes vermogenswinst, waar ook behaald, nu zij wegens haar rechtsvorm binnenlands belastingplichtig is en voor haar wereldwinst in Nederland is onderworpen. Voor de toepassing van art. 30 NL-MT gaat het er om, gezien HR BNB 2015/126, of de combinatie van heffing bij de belanghebbende en teruggaaf aan haar aandeelhouder gelijk of in wezen gelijksoortig is aan het vroegere Maltese MIBAA-regime, wat toegang tot het verdrag uitsluit. Hoewel het onderscheid tussen Maltese en niet-Maltese aandeelhouders is vervallen, resulteert het Maltese regime in een effectief tarief van 5% voor doorstroomsituaties en een effectief tarief ad 38,25% voor Maltese situaties. De Maltese wetswijziging neemt dus niet weg dat Malta aldaar geregistreerde vennootschappen met niet-Maltese aandeelhouders begunstigt en dat het verschil in effectieve belastingdruk dat onder de MIBAA bestond feitelijk volledig in stand is gebleven. Art. 30 NL-MT sluit dan beroep op de objectvrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting uit. Anders dan de Rechtbank, achtte het Hof Arnhem-Leeuwarden de remittancebepaling van art. 2(5) NL-MT niet van toepassing op de vermogenswinsten omdat wél overgemaakte niet-Maltese vermogenswinsten in Malta net zo min belast zijn als niet-overgemaakte. Dat helpt de belanghebbende echter niet, want voor de vraag of zij (deels) is vrijgesteld door een ‘bijzondere regeling’ ex art. 30 NL-MT, neemt het Hof de overwegingen en het oordeel van de Rechtbank over, nu de belanghebbende de op 5% berekende effectieve overall Maltese belastingdruk niet heeft betwist. Art. 4(1)(ii) ITA juncto de ITMA-teruggaaf is dan in wezen gelijksoortig aan de MIBAA, waardoor art. 30 NL-MT de belanghebbende uitsluit van de Verdragsvoordelen. De in 2012-2014 gerealiseerde vermogenswinsten en de Duitse handelswinst 2013 zijn dan terecht in haar Nederlandse belastbare wereldwinst betrokken. Het Hof heeft het hogere beroep niettemin gegrond verklaard omdat art. 10(1)(e) Wet Vpb niet in de weg staat aan aftrek van de in Malta geheven ITA 2013 als kosten, nu door de toepassing van art. 30 NL-MT geen regeling ter voorkoming van dubbele belasting meer van toepassing is op belanghebbendes winst. De belanghebbende stelt vijf cassatiemiddelen voor. Middel (i) gaat over de uitleg van art. 30 NL-MT en art. 4(i)(ii) ITA en ziet op de vermogenswinsten die niet zijn overgemaakt naar Malta. Middel (ii) keert zich tegen ’s Hofs uitleg van art. 30 NL-MT en art. 4(i) en (ii) ITA en stelt dat van een ‘bijzondere regeling’ geen sprake is. De in middel (iii) geuite klacht ziet op Nederlandse heffing over de in 2013 genoten vermogenswinsten uit Zwitserse bron. Middel (iv) gaat over de verhouding tussen art. 2(5) NL-MT en art. 30 NL-MT. Middel (v) stelt dat de zetel van het Hof zich had moeten verschonen omdat hij kort daarvoor een driedaagse conferentie had bijgewoond waar als spreker optrad een ter zitting tot bijstand van de Inspecteur aanwezige ambtenaar van de Coördinatiegroep constructiebestrijding. A-G Wattel acht ad middel (i) voor de toepassing van art. 30 NL-MT slechts relevant of Malta vanaf invoering van die bepaling een MIBAA-achtig begunstigend regime toepaste. Dat heeft het Hof niet miskend. De vraag of art. 4(i)(ii) ITA juncto de ITMA tot een MIBAA-achtig regime leidt, hangt grotendeels af van de uitleg van Maltees recht, waarover de Hoge Raad niet gaat (art. 79 Wet RO) en ’s Hofs uitleg daarvan, leidende tot de niet-bestreden constatering van een effectief belastingverschil van 33,25%-punten tussen doorstromers en (echte) inwoners en daarmee tot de constatering van ‘bijzonderheid’ van dat regime voor doorstromers, acht de A-G niet onbegrijpelijk. Hij meent dat middel (i) strandt. Ad middel (ii): of art. 4 ITA al dan niet ook voor echte inwoners van Malta geldt, is volgens de A-G, evenmin relevant. Gezien diens achtergrond en strekking, gaat het bij art. 30 NL-MT om de vraag of effectief een MIBAA-achtig begunstigend regime bestaat en dat is volgens ’s Hofs geenszins onbegrijpelijke uitleg van Maltees belastingrecht het geval. De belanghebbende bestrijdt niet het geconstateerde effectieve belastingdrukverschil ad 33,25%-punt tussen (echte) inwoners en doorstromers, resulterend in een effectieve Maltese belastingdruk voor de belanghebbende ad 5%, i.e. gelijk aan de druk onder het vroegere MIBAA-regime. Voor het overige verhindert art. 79 Wet RO toetsing van ’s Hofs uitleg van vreemd recht. De vraag of belanghebbendes aandeelhouder al dan niet Franse belasting betaalt over het dividend, lijkt de A-G evenmin relevant voor de vraag of Malta een MIBAA-achtig begunstigend regime toepast. Het verdrag is bedoeld voor inwoners van de verdragssluiters en art. 30 NL-MT moet voorkomen dat inwoners van derde Staten er oneigenlijk van profiteren. Volgens de A-G worden Maltese en niet-Maltese aandeelhouders overigens niet hetzelfde behandeld, zoals de belanghebbende stelt. Ad middel (iii): uit HR BNB 2015/126 volgt dat ook voordelen uit een bron buiten Nederland of Malta in de Nederlandse winst vallen als zij in Malta buiten de heffing blijven wegens niet-overmaking. De belanghebbende acht dat discriminatoir, maar zij wordt niet anders behandeld dan andere al dan niet emigrerende onderdanen. Volgens HvJ Van Hilten-Van der Heijden is een tracing tax ten laste van eigen onderdanen geen verboden discriminatie. Dat ook een andere lidstaat heft, is geen discriminatie, maar een dispariteit waartegen de EU-Verdragsvrijheden geen bescherming bieden, aldus HvJ Kerckhaert-Morres, en aan de toepassing van bilaterale belastingverdragen is inherent dat verschillen kunnen ontstaan tussen verschillende buitenlandsituaties waarin verschillende bilaterale verdragen gelden, aldus het HvJ in de zaak D. v Inspecteur. Ad middel (iv): de A-G begrijpt dit middel aldus dat art. 30 NL-MT niet meer aan de orde zou kunnen komen als geen sprake is van treaty shopping door non-remittance in de zin van art. 2(5) NL-MT. Het Hof heeft onbestreden geoordeeld dat voor de vermogenswinsten het remittance-voorbehoud in art. 2(5) NL-MT niet geldt omdat de belastingvrijdom in Malta niet een gevolg is van niet-overmaking. Het gaat dan niet aan dat Nederland tóch alsnog belast onder het ‘bijzonder regime’-voorbehoud in art. 30 NL-MT, zo begrijpt de A-G dit middel: het Maltese teruggaafregime kán volgens de belanghebbende niet zien op niet-Maltese vermogenswinsten, die immers vrijgesteld zijn en er dus geen belasting teruggegeven kan worden. Inderdaad kan men volgens de A-G betogen dat geen ‘bijzonder regime’ vigeert en dat art. 30 NL-MT dus niet aan de orde komt. Daar staat echter tegenover dat de Maltese vrijstelling kennelijk alleen geldt voor niet-Maltese vermogenswinst, hetgeen toch ‘bijzonder’ is omdat daardoor voor niet-Maltese vermogenswinsten van Maltees geregistreerde vennootschappen met niet-Maltese aandeelhouders een resultaat wordt bereikt dat gelijk is aan vrijstelling van doorstromers en daarmee vergelijkbaar met het MIBAA-regime. Nederland vond een Maltese heffing ad 5% al te laag om af te zien van heffingsbevoegdheid, zodat aangenomen moet worden dat nihil te minder aanvaardbaar zou zijn geweest. De A-G leidt uit ’s Hofs uitspraak af dat hij de feitelijke Maltese belastingvrijdom voor niet-Maltese vermogenswinsten als wezenlijk gelijk beschouwt aan het MIBAA-regime, wat verdragsvoordelen uitsluit omdat het doorstromers op vergelijkbare wijze begunstigt onder gelijktijdige ring fencing van de Maltese inlandse belastinggrondslag. Dat oordeel lijkt de A-G niet onbegrijpelijk, zodat middel (iv) strandt. Ad middel (v): dit middel verwijt het Hof dat zijn zetel zich niet verschoond heeft toen tot bijstand van de Inspecteur een ambtenaar van de Coördinatiegroep constructiebestrijding op ’s Hofs zitting bleek te verschijnen die kort daarvoor spreker was op een driedaagse conferentie van het Hof. De belanghebbende is ter zitting op de hoogte gesteld en heeft na beraad geen aanleiding tot wraking gezien. Pas zes maanden later, twee maanden na kennisneming van de Hofuitspraak, heeft zij geklaagd. Zij wraakt thans in cassatie niet de zetel van het Hof, maar klaagt over schending van art. 12 Wet RO en art. 117 Grondwet. Volgens de A-G is dat materieel een wraking. Uit art. 8:16(1) Awb volgt dat het daarvoor (veel) te laat is. Dat neemt niet weg dat een hogere rechter de onpartijdigheid van een rechter in een eerdere instantie moet beoordelen als serieuze aanwijzingen bestaan dat daar iets aan zou kunnen schorten (HR BNB 2006/96). Daarbij is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing zijn van vooringenomenheid of vrees daarvoor objectief rechtvaardigt. Deelname aan een driedaagse conferentie waar diverse externe sprekers optreden, levert volgens de A-G geen zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid op en evenmin een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt niet dat de desbetreffende ambtenaar ter zitting het woord heeft gevoerd, en evenmin dat die ambtenaar tijdens die conferentie heeft gesproken over een zaak (zoals die) van de belanghebbende of over de uitleg van art. 2(5) en art. 30 NL-MT in het licht van art. 4(1)(ii) ITA juncto art. 48 ITMA. De A-G meent dat ook middel (v) strandt. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:973
- HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:974
- HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:976
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:704
- Conclusie A-G Wattel 3 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1028
- Rb. Noord-Nederland 13 februari 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:637
- HR 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:465
- Conclusie A-G Wattel 14 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1730
- Hof Den Haag 17 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3585
- Rb. 's-Gravenhage 14 februari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9925
- HR 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7352
- HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7580
- HR 28 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0296
- HR 17 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5259
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:424
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:131
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:713
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:92