Conclusie A-G Ettema 30 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1246

Samenwerkingsverband geïntegreerde eerstelijnszorg; Vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel f Wet OB 1968 in samenhang met post b.20 Uitvoeringsbesluit OB; verhouding van ondergeschiktheid. Optreden als ondernemer. Belanghebbenden zijn werkzaam op het gebied van de medische zorgverlening aan individuele patiënten in de eerste lijn. Daarnaast zijn zij als ‘eerstelijnszorgpartner’ verbonden aan een samenwerkingsverband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren die eerstelijnsgezondheidszorg leveren, structureel met elkaar samenwerken. In werkgroepen organiseren en coördineren zij ‘geïntegreerde eerstelijnszorg’ (GEZ). In hoger beroep is in geschil of de GEZ-werkzaamheden van belanghebbenden kunnen delen in de vrijgestelde hoofdprestatie van belanghebbenden. Zo neen, dan is in geschil of deze werkzaamheden zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Het Hof beantwoordt beide vragen ontkennend. Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld. Middel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van belanghebbenden niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel g, Wet OB. Middel 2 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van belanghebbenden voor het samenwerkingsverband niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet OB. Het middel voert aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de activiteiten van belanghebbenden niet onder post b.20 vallen. Middel 3 stelt dat het Hof ten onrechte niet heeft getoetst of de Nederlandse autoriteiten de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 132, lid 1, aanhef en onder g) van de Btw-richtlijn hebben geëerbiedigd. A-G Ettema meent dat de ‘eerstelijnszorgpartners’ hun activiteiten hetzij in een verhouding van ondergeschiktheid tot de ‘werkgever’ verrichten als bedoeld in artikel 10 van de Btw-richtlijn, hetzij niet optreden als belastingplichtige c.q. ondernemer als bedoeld in artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn en artikel 7, lid 1, Wet OB. Zij verrichten hun werkzaamheden in werkgroepen. Als leden van de werkgroepen hebben zij geen individuele taken of verantwoordelijkheden, maar hebben zij een gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid. Zij verrichten de werkzaamheden of handelingen als lid van de werkgroep niet op eigen naam, voor eigen rekening en/of onder eigen verantwoordelijkheid. Economisch risico lopen zij ook niet. Middel 1 slaagt in zoverre. Mochten belanghebbenden toch zelfstandig als ondernemer optreden voor de activiteiten ten behoeve van het samenwerkingsverband, dan heeft het Hof volgens de A-G aan de tekst en toelichting van post b.20 een te strikte uitleg gegeven. De vrijstelling is in het leven geroepen voor samenwerkingsverbanden die kosten voor zorgprestaties declareren volgens de Nza-beleidsregels. Onder samenwerkingsverband wordt volgens die beleidsregels verstaan een organisatorisch verband, waarbinnen een aantal beroepsbeoefenaren, die eerstelijnsgezondheidszorg leveren, structureel met elkaar samenwerken. De term samenwerkingsverband in post b.20 duidt dus op een samenwerkingsverband in brede zin, inclusief de aangeslotenen. De stichting is binnen het samenwerkingsverband slechts declarant. Middel 2 slaagt ook. Voor het overige behoeven de middelen volgens de A-G geen behandeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken