Conclusie A-G Ettema 12 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1327
Lid en voorzitter van bezwaaradviescommissies als bedoeld in artikel 7:13 Awb. Verricht belanghebbende zelfstandig economische activiteiten? Belanghebbende is in 2014 werkzaam als lid respectievelijk voorzitter van een aantal bezwaaradviescommissies, waaronder een bezwaaradviescommissie inzake personele aangelegenheden van het ministerie […] en een bezwaaradviescommissie inzake personele aangelegenheden van het ministerie […]. Dit zijn bezwaaradviescommissies als bedoeld in artikel 7:13 Awb. Belanghebbende wordt als lid of voorzitter van een bezwaaradviescommissie benoemd voor een periode van vier jaar. Voor deze werkzaamheden brengt belanghebbende vergoedingen (vacatiegelden) in rekening. Voor de Rechtbank en het Hof is in geschil of belanghebbende omzetbelasting is verschuldigd over de door haar aan de ministeries in rekening gebrachte bedragen. Meer specifiek is in geschil of de werkzaamheden zijn verricht in het economische verkeer en, zo ja, of belanghebbende haar werkzaamheden zelfstandig heeft verricht. Het Hof heeft beide vragen bevestigend beantwoord. Belanghebbende heeft één cassatiemiddel voorgesteld. Het eerste onderdeel van het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden economische activiteiten zijn. Het middel betoogt dat de werkzaamheden niet vergelijkbaar zijn met activiteiten verricht door een als zodanig handelende ondernemer. In dit verband wordt verwezen naar de arresten van het HvJ Gemeente Borsele en Enkler. A-G Ettema maakt uit de bestreden uitspraak op dat de vacatiegelden worden vastgesteld in overeenstemming met de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies (Wvac). De vergoeding is een vast bedrag per maand of per vergadering. Daarmee ontvangt belanghebbende een vergoeding voor haar werkzaamheden. De A-G komt tot de slotsom dat het middel faalt voor zover het betoogt dat geen sprake is van economische activiteiten. Het betoog dat belanghebbendes werkzaamheden niet vergelijkbaar zijn met enige economische activiteit zoals verricht door een als zodanig handelende ondernemer gaat in haar optiek niet op. Uit Gemeente Borsele volgt namelijk dat het vergelijken van de omstandigheden waarin een dienstverrichting plaatsvindt met die waarin een vergelijkbare activiteit plaatsvindt op een markt, één van de methoden is ter bepaling of de desbetreffende dienstverrichting een economische activiteit vormt. Voor zover het middel ervan uitgaat dat de vergelijking een voldoende voorwaarde is, faalt het. Ook als de vergelijking wél bepalend is, leidt dat tot de slotsom dat te dezen sprake is van een economische activiteit. Het tweede onderdeel van het middel komt op tegen het oordeel dat de economische activiteiten zelfstandig worden verricht. Belanghebbende voert in dit verband aan dat de rechtsverhouding tussen haar en de ministeries een verhouding van ondergeschiktheid meebrengt voor wat betreft de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en verantwoordelijkheden. In onderdeel 4 gaat A-G Ettema aan de hand van jurisprudentie van het HvJ na hoe artikel 9 en 10 Btw-richtlijn moeten worden uitgelegd. Voor zover het middel betoogt dat artikel 10 Btw-richtlijn kan worden toegepast, faalt het naar haar mening. De benoeming van belanghebbende brengt geen verhouding van ondergeschiktheid mee met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden. Belanghebbende is niet gebonden aan instructies van het desbetreffende ministerie en zal zelfstandig en onafhankelijk een mening moeten vormen over het geschil waarover de commissie advies moet uitbrengen. Met betrekking tot de bezoldigingsvoorwaarden verkeert belanghebbende evenmin in een verhouding van ondergeschiktheid. Het Hof heeft volgens de A-G terecht geoordeeld dat belanghebbende de werkzaamheden verricht voor eigen economisch risico. Dat de beloning bij wet- en regelgeving wordt vastgesteld, maakt dit niet anders. Tot slot is belanghebbende niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het desbetreffende ministerie. Het middel slaagt wel voor zover het betoogt dat belanghebbende niet zelfstandig optreedt als bedoeld in artikel 9 Btw-richtlijn. Volgens de A-G komt de situatie van belanghebbende het dichtst in de buurt van die van de commissaris in IO. Zij gaat immers een rechtsbetrekking aan met een derde (een ministerie), terwijl zij haar werkzaamheden verricht als lid van een orgaan zonder rechtspersoonlijkheid van die derde (de bezwaaradviescommissie). Belanghebbende is niet individueel verantwoordelijk voor de adviezen van de bezwaarcommissie. De werkzaamheden worden aldus verricht voor rekening en onder verantwoordelijkheid van de desbetreffende bezwaaradviescommissie. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging de uitspraak van het Hof te vernietigen, het beroep gegrond te verklaren en teruggaaf te verlenen van het bedrag dat op aangifte is voldaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G Ettema 14 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:517
- Hof 's-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2685
- Hof Amsterdam 29 mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1696
- HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2983
- Conclusie A-G Ettema 8 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:170
- HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 12 september 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BA6413
- Hof Amsterdam 28 augustus 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AY6985
- HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1987:161
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1991:332
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1996:352
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1996:67
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1997:20
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1997:77
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2000:46
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:135
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:196
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:615
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:185